Het Woord dat leven geeft. Kerstochtend 2017

Preek in het Oecumenisch City Pastoraat, Stevenskerk, Nijmegen, op kerstochtend, maandag 25 december 2017.

Lezingen: Jesaja 52,7-10 en Johannes 1,1-14.

 

Het Woord dat leven geeft

 

Kunt u er nog wijs uit, uit de woorden? Ze buitelen in de nieuwe media over elkaar heen. Het ene woord zegt dat het andere nepnieuws is of een ‘alternatief feit’. Wat het ene moment waar lijkt, is het volgende moment alweer onderuit gehaald of bedolven onder een lading schimpscheuten. De betekenis van een woord lijkt nauwelijks langer te duren dan de seconden dat je naar je smartphone kijkt. Wat is waar en wat niet? Wat is echt, wat onecht? Wat is waardevol? Is er nog iets van betekenis? We moeten wel héél goed luisteren en héél aandachtig woorden tot ons laten doordringen, vooral nu, op deze kerstmorgen.

         Johannes zegt in de proloog op zijn evangelie, eigenlijk is het een hymne, dat Jezus’ komst in de wereld besloten ligt in een woord. Anders dan de verhalen over de geboorte van Jezus in Mattheus en Lucas – met hun taferelen van de stal, de herders, de wijzen, de boodschap aan Maria, de vlucht naar Egypte – zet de evangelist Johannes ‘hoog’ in, n.l. bij het Woord dat bij God is, ja God zélf is. Vergeleken met de geboorteverhalen uit de andere evangeliën, maakt de hymne van Johannes op het eerste gehoor een abstracte indruk. We moeten wel heel goed luisteren, maar als we dat doen, dan kunnen we ontdekken dat het de evangelist te doen is om zeer diep door te dringen in het mysterie van kerstmis, van Gods menswording en Zijn wonen onder de mensen.

         Hij zegt: “In den beginne was het Woord, het Woord was bij God en het Woord was God.” (1,1-2). Het gaat Johannes in eerste instantie niet om een historisch moment in het verleden. In den beginne betekent vooral: in beginsel, principieel. Het gaat de evangelist erom, om te getuigen dat God altijd het leven wil, te beginnen met de schepping als zodanig. God spreekt zijn scheppingsdaad uit en ziet dat het geschapene goed is. God spreekt tegen zijn volk het woord: “Ik zal er zijn voor jullie” (Ex. 3,14), opdat het het volk goed zal gaan. Tot Mozes spreekt God de tien geboden of tien woorden om zo het volk een goed en rechtvaardig leven te laten leiden (Ex. 20,3 vv). In de hele Wet en Profeten zegt God: bemin mij en bemin uw naaste als uzelf. Opdat het leven en het samenleven goed zij. Johannes wil ons zeggen: altijd draagt God een oerwoord met zich mee, een woord dat Hij spreekt, dat leven schept en licht geeft in de duisternis. God wil niet in zichzelf besloten blijven, maar scheppen, leven geven. Zijn schepping wil God doordrenken met zichzelf en daarom spreekt Hij zijn levenwekkende woord. Of, zoals de evangelist over dat woord van God zegt: “Alles is erdoor ontstaan en niets kan daarzonder bestaan; in dat Woord was leven en het leven was het licht voor de mensen”(1,3-4). Vanuit dit principe spreekt God tot ons, opdat wij goed leven zullen.

         Maar daar blijft het niet bij in deze hymne. Gods scheppende woord is niet alleen iets van alle tijden. Het is ook iets van daar en toen en hier en nu. Johannes zegt: “Het ware licht dat ieder verlicht kwam naar de wereld.” (1,9). En: “Het Woord is vlees geworden en heeft bij ons gewoond en wij hebben zijn goedheid, waarheid en grootheid gezien, die van de enige Zoon van de Vader.”(1,14). Dit alles kondigde de Doper aan, op een concreet moment in de mensengeschiedenis. “Niemand heeft ooit God gezien,” zegt de Doper, “maar de enige Zoon, die God zelf is, die aan het hart van de Vader rust, heeft Hem doen zien.”(1,18), zo besluit onze perikoop. En dan gaat het om Jezus, geboren in Bethlehem, de man uit Nazareth, die Gods verlossend woord preekte, die velen genas, die gestorven en verrezen is en wiens Geest ons troost en steunt toen en daar, tot op de dag van vandaag.

         De evangelist denkt in scherpe tegenstellingen, zoals die tussen de hemel en de wereld, of tussen geest en vlees, licht en duister, God en mens, geloof en ongeloof, het eeuwige en het vergankelijke. Maar zie, de schijnbaar onoverbrugbare kloof tussen het eeuwige en vergankelijke, tussen God en mens is definitief gedicht. Ze gaan voortaan samen, voorgoed. Het onmogelijke is mogelijk gebleken. In Jezus heeft God zijn tent definitief tussen ons opgeslagen.

         De hymne gaat nog een stapje verder. Het definitieve scheppingswoord van God dat menswording heet, gaat niet alleen over Jezus. Het gaat over ons allen die naar Gods woord luisteren – hoe gebroken ons bestaan ook is. “Wie Hem, Jezus, ontvingen en in Zijn naam geloven, heeft Hij het voorrecht gegeven om kinderen van God te worden.”(1,12). Vanaf nu betekent Gods woord dat het elke dag kerstmis is en wel in een heel pregnante zin. Elke dag immers maakt Gods levende en mensgeworden woord ons tot Zijn kinderen. Elke dag is het Gods menswording, voor iedereen. Of, zoals de middeleeuwse mysticus en theoloog Meester Eckhart zegt in een preek naar aanleiding van deze Johannesproloog: “De Vader baart zonder ophouden zijn Zoon – en mij als Zijn Zoon” (preek: iusti vivent in aeternum).

         De hymne van de evangelist is een lichtvisioen, een schitterend gelovig vergezicht, een getuigenis dat zijn hele evangelie samenvat. Daarbij is het goed om op te merken dat Johannes ook weet heeft van de duisternis, van mensen die het Woord niet willen horen. Uiteindelijk heeft de duisternis het licht niet in de greep (1,5), maar de evangelist zegt ook dat de “wereld Gods mensgeworden woord niet kent; diegenen die van Hem waren, hebben Hem niet ontvangen.”(1,10-11) Johannes denkt hier vooral aan mensen die weigeren te luisteren en te zien, terwijl Gods Zoon in hun midden was. In onze tijd kunnen we ook aan andere mensen denken. Mensen die het allemaal niets kan schelen of die niet kunnen luisteren en daar ook geen moeite toe doen. Maar ook aan mensen voor wie de duisternis zo dicht en ondoordringbaar is geworden en het bestaan zo gebroken, dat ze eenvoudigweg de jubelzang van Johannes niet kunnen nazeggen. Hoe wij ook ons best doen, het is soms te moeilijk om echt te kunnen beamen wat het evangelie ons aanzegt. In zo’n situatie helpen Godsbewijzen, belijdenissen en jubelhymnes niet.

         Ik zei al in het begin van mijn preek: het vergt veel aandacht om echte van onechte woorden te onderscheiden en om te zien wat echt waardevol is en wat alleen maar spektakel is. Het vraagt een grote inoefening in ontvankelijkheid – en wat is bidden anders – om te kunnen bevroeden dat God onder ons gewoond heeft en nog steeds woont. Dat wij zijn opgenomen in Zijn bestaan en Zijn kinderen zijn geworden. Misschien is dat wel de betekenis en de oproep van kerstmis: dat wij ons in deze nacht en deze ochtend voegen naar die ontvankelijkheid, die immers de eerste toegang naar God is. Opdat wij, zoals Paulus zegt, woorden horen die wij nog nooit hoorden en dingen zien die wij nog nooit zagen (1 Kor 2,9). Dit alles gebeurt aan ons in de stilte van de nacht, in de stille nacht, vandaag. Of, in de woorden van Meester Eckhart over deze nacht: “Toen alle dingen zich midden in het zwijgen bevonden en de nacht in haar loop op het midden van haar baan stond, kwam van bovenaf, van de goddelijke troon, een verborgen woord in mij neer.” (advents en kerstpreek: Dum medium silentium).

 

Moge het zo zijn.

Leo Oosterveen