Verstaan voorbij alle grenzen

Verstaan voorbij alle grenzen

 

Preek in het OCP, op Pinksterzondag 20 mei 2018, Stevenskerk, Nijmegen

Lezingen:Handelingen 2:1-24 en Johannes 14:8-17

 

De tijd tussen Pasen en Pinksteren is voor de leerlingen en volgelingen van Jezus niet eenvoudig. Eigenlijk leven ze een beetje tussen hoop en vrees. Ja, ze kennen de verhalen over de vele verschijningen van Jezus na zijn kruisdood. En ja, bij zijn afscheidsredes heeft hij gezegd dat hij weliswaar zal weggaan, maar toch ook altijd bij hen zal blijven. Ik zal jullie een trooster, helper en pleitbezorger zenden, zegt hij, zoals we hebben gehoord in het Johannesevangelie (14,16-17). Maar toch blijft er die onzekerheid. Zo wil Thomas weten of de verrezene werkelijk dezelfde is als degene die aan het kruis is gestorven. (Joh 20,24-29.) De leerlingen op weg naar Emmaüs zijn ontgoocheld om wat er gebeurd is (Lc 24,13-35) Een aantal leerlingen pakt het oude beroep maar weer op; ze gaan bij gebrek aan beter maar weer vissen. Bij de hemelvaart staren ze naar de hemel in plaats van naar de aarde (Hand. 1,10-11). Ze zijn hun oriëntatie kwijt. Nog tot op het laatst denken ze dat Jezus een nieuw koningshuis in Israël zal oprichten (Hand. 1,6). Het is een verwarrende tijd. Ze voelen zich vaak ontheemd.

         Misschien verschilt de situatie van de eerste christenen tussen Pasen en Pinksteren niet zoveel van de onze. Aan de ene kant proberen we te leven vanuit de belofte van het Rijk Gods. Aan de andere kant vragen ook wij ons, om met Gerard Reve te spreken, regelmatig af: “Dat koninkrijk van U, wordt dat nog wat?”

         De ervaring dat de Geest neerdaalt, toen op die Pinksterochtend, moet een verbazingwekkende schok geweest zijn, ook voor de leerlingen zelf. De Handelingen vergelijken het gebeuren met een windvlaag, met vurige tongen. Maar eigenlijk zijn dit slechts beelden die proberen iets aan te duiden wat met geen beeld is te omschrijven.

         Wat er gebeurt, is inderdaad ongelooflijk. Voordat de Schrift vertelt over de inhoud van de verkondiging door Petrus, gaat eerst alle aandacht uit naar iets anders. Namelijk dat alle joden daar bijeen vanuit de diaspora, uit al die verschillende landen, de leerlingen van Jezus horen spreken in hun eigen taal. Dat is het allereerste dat opvalt. De Geest overbrugt de verschillende talen, volkeren en culturen en creëert een onderling verstaan, waar tot nu toe barrières zijn geweest. Wonderlijk genoeg wordt er niet een eenheidstaal gesproken, een soort evangelisch Esperanto. Neen, de boodschap wordt verstaan in alle afzonderlijke talen die de mensen, daar bijeen, spreken. De Geest maakt een verbinding over grenzen heen, maar behoedt tegelijkertijd de verschillen. En dat doet hij, zo geloven we, tot op de dag van vandaag. Maar dan moeten we wel onze oren, ogen en harten goed open houden. Want we leven vandaag in een tijd waarin een heel andere geest waait. Een geest die geen verbinding zoekt, maar anderen lijkt uit te sluiten – mensen met een andere culturele, etnische, religieuze achtergrond of mensen die simpelweg niet kunnen meekomen. Een geest bovendien die niet de verschillen behoedt, maar juist lijkt te mikken op de uniforme identiteit van eigen land, volk en samenleving. Wie daar niet in past, moet maar vertrekken, zo roept die geest en de echo’s daarvan horen we dagelijks nagalmen.

         Horen wij te midden van dat heidense kabaal nog wat die andere Geest ons influistert, de Heilige Geest? En durven we de vertolkers van die Geest te zijn? We moeten toegeven, soms voelen we enige gêne als het gaat om de Heilige Geest en diens uitstorting over de mensen. Het is allemaal nogal buitenissig. Niet voor niets worden de leerlingen uitgemaakt voor dronkaards. Daar wil je liever niet bij horen. Misschien komt onze reserve ook wel voort uit het feit dat de Geest toch in eerste instantie zich thuis lijkt te voelen bij de religieuze elite, en bij, het woord zegt het al, de geestelijkheid. Anderen associëren de Geest met hen die religieus fijnbesnaard heten, met hen die een exclusieve antenne voor ‘het hogere’ hebben en dat is niet direct het terrein van Jan met de Pet.

         In zijn toespraak te Jeruzalem maakt Petrus in aansluiting op de profeet Joël korte metten met dit soort ideeën. Hij zegt: “Ik zal mijn Geest, zegt God, uitgieten over allemensen, zonen en dochters zullen profeteren en zij zullen visioenen en droomgezichten zien.” (Hand. 2,17-18). Dit geldt ook voor ons zoals we hier zitten. Maar trekt Petrus ons hier echt over de streep? Visioenen en droomgezichten – we zijn toch geen wereldvreemde utopisten, geen fantasten?

         In het tweede deel van zijn toespraak maakt Petrus duidelijk waarop de gaven van de profetie berusten, n.l. in de Paaservaring. Het zijn geen gedachtespinsels, maar ze komen voort uit Gods reddend handelen. Jezus is gedood, maar God heeft hem ten leven gewekt, opdat ook wij zullen leven door de dood heen (Hand 2,23-24). En Petrus voegt er in de woorden van Psalm 16 aan toe: “U zult mij niet overleveren aan het dodenrijk […]. U hebt mij de weg naar het leven getoond […]”(Ps. 16,8-11; Hand. 2,24-28). Deze woorden brengt Petrus in eerste instantie in verband met Jezus’ dood en verrijzenis, maar in feite gaan ze over ons allemaal.

         Het christelijk geloof leeft van de ervaring dat er een paradoxale omslag is van dood naar nieuw leven; het leeft van de overtuiging dat Jezus ons hierin voorgaat. De Paaservaring verbindt uitersten: kruis en verrijzenis, dood en leven. Daarom is Petrus’ toespraak met Pinksteren – zijn eerste preek in de jonge kerk – in eerste instantie een Paaspreek. Maar wat die Paaservaring betekent komt uiteindelijk pas goed aan het licht met Pinksteren, met de verkondiging onder de inspiratie van de Geest. Ook de Pinksterervaring verbindt uitersten: in de praktijk van haar verkondiging sticht ze gemeenschap, ze verbindt mensen over culturele, religieuze, etnische, sociale grenzen en barrières heen. Ze haalt mensen uit hun isolement, zoekt relatie met hen die aan de rand van onze wereld zijn om hen door de Geest tot een nieuw leven op te wekken. Dit alles is wat Petrus voor ogen staat, als hij zegt dat Gods Geest over allen zal neerdalen om te gaan profeteren. Daarom is zijn Paaspreek een Pinksterpreek.

         En wij, hoe staat het met onze begeestering en verkondiging? Vaak vragen wij ons bezorgd af of wij onze religieuze traditie, ons religieuze verhaal, bijvoorbeeld het Pinksterverhaal van vandaag, nog wel op een verstaanbare manier kunnen overdragen aan volgende generaties. Is het niet droevig, is het niet heel erg dat de traditie lijkt te stokken? Theologen, catecheten, pastores, kerkbestuurders, filosofen, sociale wetenschappers en nog zoveel deskundigen meer buigen zich over deze vraag. Zij zoeken met wisselend succes naar verklaringen, naar antwoorden, plannen van aanpak, vertaalslagen. Al deze inspanningen zijn op zich prima. Maar het verhaal van de Handelingen wijst op een andere benadering, of liever een ander zwaartepunt. De Schrift zegt dit: als je je werkelijk probeert open te stellen voor wat de Geest jou te zeggen heeft, als je echt leeft op inspiratie van de Geest, dan zullen mensen je verstaan, wie ze ook zijn en waar ze ook vandaan komen. Ze zullen je op een of andere manier verstaan, zelfs nog voordat je één woord gesproken hebt.

 

Moge het zo zijn,

Leo Oosterveen