Verschillende preken gehouden in het OCP 2 februari 2020 Maria Lichtmis — 22 december 2019 — 3 november 2019 herdenking overledenen — 15 september 2019 — 29 september 2019 — 13 oktober 2019 — 20 oktober 2019 — 8 december 2019 — 9 juni 2019 – Pinksteren

22 december 2019 Jan van Hooydonk

Stel je voor, zusters en broeders, er gebeurt in je leven iets wat je niet hebt zien aankomen. Er gebeurt iets dat je volkomen niet begrijpt, misschien wel iets waarbij je spontaan afkeer voelt. Wat is dan je reactie? Steek je je kop in het zand? Word je boos? Ontvlucht je deze situatie? Ik sluit zeker niet uit dat ik een van die reacties zou vertonen.
Stel je voor: in onze samenleving doet zich onverwacht een crisis voor – iets met vluchtelingen, met het klimaat, met onze veiligheid bijvoorbeeld. Wat is dan onze reactie als burgers, wat is dan de reactie van onze politici? Kop in het zand, de ernst van de situatie bagatelliseren? Een commissie instellen wellicht om de zaak op de lange baan te schuiven? Het zou zo maar kunnen, toch?

Stel je het eens voor, zo houdt het Evangelie ons vandaag voor: je staat als man op het punt te gaan trouwen met je geliefde en ontdekt op dat moment dat zij zwanger is. En die zwangerschap komt niet door jou. Wat is dan je reactie? Word je boos, ga je op de loop, blaas je het huwelijk af?


“De maagd zal zwanger zijn en een zoon baren en men zal hem de naam Immanuel geven, ‘God met ons’.”

Het is gebeurd in onze dagen, op 21 oktober 2019 om precies te zijn. Gelovigen die behoren tot de inheemse volkeren uit het gebied van de Amazone, waren begin oktober afgereisd naar Rome. De Indiaanse pelgrims namen naar de Eeuwige Stad een door henzelf vervaardigd houten beeld mee. Het beeld stelde een naakte vrouw voor, met in haar schoot een baby. De vervaardigers noemden dit beeld ‘Onze Lieve Vrouw van de Amazone’. Het beeld was aanwezig bij een gebedsviering in de tuin van het Vaticaan waaraan ook paus Franciscus deelnam. Mensen droegen dit Mariabeeld mee tijdens de processie op het Sint-Pietersplein bij de opening van de bisschoppensynode over de kerk in de Amazone. Het beeld verhuisde daarna naar een Romeinse parochiekerk. Enkele dagen later blijkt het uit die kerk gestolen te zijn. Op 21 oktober verschijnt op YouTube een filmpje waarop te zien is hoe een man dit beeld en andere soortgelijke kunstwerken met een schop in de Tiber doet belanden. De dader maakt zich in dit filmpje bekend als lid van een ultraconservatieve katholieke groepering. Volgens hem stelt het beeld dat hij in de Tiber heeft gedumpt, niet de Moeder Gods voor, maar Pachamama, een godin uit de religie van de Inca’s. Hij noemt het beeld daarom ‘een heidens afgodsbeeld’.
Paus Franciscus was niet de enige die verontwaardigd op dit incident reageerde. De paus bood de inheemse bevolking van Zuid-Amerika zijn verontschuldigingen aan voor zoveel kwetsend onbegrip. Dat onbegrip treft overigens ook de paus zelf.

“De jonge vrouw is zwanger; zij zal spoedig een zoon baren en hem Immanuel – ‘God met ons’ – noemen.”


De reactionaire katholiek die het beeld van Onze Lieve Vrouw van de Amazone in de Tiber wierp, heeft deze godsspraak niet begrepen, zo moeten we wel constateren.
Wie deze godsspraak stellig ook niet begreep, was Achaz, de koning van Juda. De koningen van Aram en Israël trekken in zijn tijd – we hebben het over de achtste eeuw voor Christus – op tegen Juda. In deze hachelijke situatie roept de profeet Jesaja koning Achaz op om te vertrouwen op de Eeuwige. Jesaja spoort Achaz aan om een teken aan God te vragen, zo hoorden we in de eerste lezing. “Nee, ik zal geen teken vragen”, reageert de koning, “ik zal de Eeuwige niet op de proef stellen.” Dat klinkt heel eerbiedig en godvruchtig, maar Achaz bedoelt met zijn reactie wat anders. Zijn reactie – ‘ik wil de Eeuwige niet op de proef stellen’- is in feite een smoesje. Achaz zit namelijk helemáál niet op een teken van de Eeuwige te wachten, want zo’n teken zou hem wel eens ergens toe kunnen verplichten. Het teken dat de Eeuwige hem zou geven, zou hem wel eens kunnen herinneren aan zijn taak als koning uit het huis van David, aan zijn taak dus om op te komen voor zijn bedreigde volk, op te komen voor gerechtigheid. Achaz weigert zijn verantwoordelijkheid als ‘zoon van David’ op zich te nemen. Hij is liever laf dan dapper. De Schrift laat er geen twijfel over bestaan: Achaz was een slechte koning.
Maar, zo profeteert Jesaja, een van Achaz’ vrouwen zal een zoon baren die wél zijn opdracht als ‘zoon van David’ op zich zal nemen. De Schrift spreekt over de zoon van Achaz, Hizkia, inderdaad als een goede koning.

“De maagd zal zwanger zijn en een zoon baren en men zal hem de naam Immanuel geven, ‘God met ons’.”


Evenals koning Achaz stamde ook Jozef uit het huis van David. Deze Jozef is in het evangelie van Matteüs de hoofdpersoon in het verhaal over de geboorte van Jezus. Jozef moet verbijsterd geweest zijn: de vrouw met wie hij zal gaan trouwen, blijkt zwanger te zijn. Maria is ‘zwanger van de heilige Geest’, zo vertelt de evangelist ons, maar Jozef wist dit op dat moment niet. En ook als hij dit wél geweten zou hebben, wat had hij dan met die wetenschap aan gemoeten? Trouwen met zijn zwangere verloofde zit er voor Jozef volgens de religieuze en sociale logica van zijn dagen niet meer in, maar rechtschapen als hij is, wil hij zijn aanstaande bruid niet publiekelijk te schande maken. Hij denkt erover in stilte van haar te scheiden. Maar dan verschijnt hem in een droom een bode van God die hem zegt niet bang te zijn en Maria bij zich te nemen. (‘Wees niet bang!’, dat is een woord dat voortdurend in het Evangelie opklinkt…).
“De maagd zal zwanger zijn en een zoon baren en men zal hem de naam Immanuel geven, ‘God met ons’”, zo citeert de evangelist Matteüs dan de woorden die Jesaja eens tot koning Achaz heeft gesproken. Wat de gemeente van Matteüs ons hiermee wil zeggen, is: De geboorte van Jezus is niet minder dan de vervulling van die oude godsspraak, de profetie die eens Achaz al hoorde, maar die Achaz niet wilde begrijpen: in de geboorte van dit kind, het kind van Maria, is God met ons. Dát is de belijdenis van de gemeente van Matteüs.
Heeft Jozef deze boodschap ten volle begrepen? Dat weten we niet, maar wat we wél weten, is dat hij bemoedigd door de engel zijn verbijstering te boven komt. En meer dan dat! Hij neemt ten volle zijn verantwoordelijkheid op zich voor Maria en voor haar kind. En hij roept over haar kind de naam ‘Jezus’ uit wat betekent: ‘God redt’ of ‘God zal ons bevrijden’. Jozef maakt door die naamgeving Maria’s kind tot het zijne. Door die naamgeving is ook Jezus van nu af een ‘zoon van David’.

Dát, zusters en broeders, is waartoe het evangelie ons vandaag oproept: dat wij op persoonlijk vlak en als samenleving niet bang zijn voor het onbekende, maar ontvankelijk zijn voor het heil dat zich juist in dit onbekende kan aandienen. Dat wij, zoals Jozef deed, het onmogelijke de kans bieden om mogelijk te worden. Kortom, waar het evangelie ons vandaag toe oproept, is dat wij onze verantwoordelijkheid voor onze naasten, voor de wereld en voor onszelf op ons nemen. Want alleen zo kan het Kind onder ons geboren worden.

“De maagd zal zwanger zijn en een zoon baren en men zal hem de naam Immanuel geven, ‘God met ons’.”


Moge dit voor ons bewaarheid worden.

Amen.

P

ds Paul Oosterhoff OCP Stevenskerk, zondag 3 november, herdenking van de overledenen

Lezingen              Jesaja 60, 17-22,             Mattheus 5, 1-12

Voor deze zondag waarin we de namen noemen van onze geliefden die ons ontvallen zijn, hebben we gekozen voor de lezingen die traditioneel bij Allerheiligen+ horen. En de bekendste is dat stukje uit het begin van de Bergrede van Jezus, de zaligsprekingen. Gelukkig ben je als…. want….

En natuurlijk denken we op een dag als vandaag aan onze overleden geliefden. Hoe zachtmoedig waren ze niet, hoe zuiver van hart, hoe vredestichtend, hoe liefdevol. Oh natuurlijk, er zaten ook scherpe kantjes aan hun karakter, maar in de loop van de tijd vervagen die, ze zijn niet meer actueel, ze doen geen pijn meer, dus ze zijn achtergelaten en het mooie, lieve, ontroerende beeld blijft over, gelukkig maar…

En als we zo’n lezing van de zaligspreking horen op een dag dat we de doden gedenken, dan betrekken we het daar helemaal op. Het goede van hun leven zal in de handen van God nu worden uitvergroot, benadrukt, ze zullen nu God zien, het land beërven, het koninkrijk van de hemel bewonen. Barmhartigheid ondervinden. Ze zijn geborgen in Gods hand, dat willen we geloven met heel ons hart, maar gaan die zaligsprekingen alleen daarover? Gaat het echt alleen over die beloning in het hiernamaals, voor al de goede dingen die een mens in zijn leven heeft laten zien?

Ik weet niet veel over het hiernamaals en over het leven na de dood. Mocht u denken dat ik u daar vandaag over zou kunnen voorlichten, dan moet ik u teleurstellen. We weten er niets van. Wat ik wel weet, door een leven lang studeren in die bijbel, is dat daar, als het koninkrijk der hemelen of het hiernamaals aan de orde komt, het nooit over later gaat, over de dagen voorbij de grens van de dood. Altijd gaat het, tenminste óók, over het hier en nu, over hoe het leven er nu uit moet zien. Over wat nu onder ons hemels zou moeten zijn, hoe het koninkrijk van God hier en nu gestalte kan krijgen. Zo is het denk ik ook met die zaligsprekingen. Dat hongeren en dorsten naar de gerechtigheid moet nu onder ons plaats hebben, niet met het oog op een eventuele beloning na dit leven, maar om de kwaliteit van leven nu. Barmhartigheid moet nu geschieden, omdat het nu tot leven leidt. Zachtmoedigheid moet nu getoond, omdat het de enige weg is om deze aarde te behoeden voor het kwaad.

We hielden gisteren hier in de binnenstad van Nijmegen de jaarlijkse compassiedag. Een prachtig programma vanuit Nijmegen Stad van Compassie, met spektakel, kraampjes met informatie op het plein voor de bibliotheek, we hadden het geluk dat het even een middag droog was, een binnenprogramma in de bibliotheek met een compassielezing van Thomas Verbogt, burgemeester Bruls die de jaarlijkse compassiepluim mocht weggeven. Dit jaar voor het project ‘Straatmensen’ waarvoor we hier in het OCP dacht ik ook weleens een reeks adventscollecten hebben gehouden. Een prachtig koor, met liederen en teksten rond compassie. En een jongeren toneelgroep, die iets liet zien van hun toneel dat ze op scholen opvoeren om de discussie over mantelzorg onder jongeren aan de orde te stellen. Een vol en zinvol programma waarin we natuurlijk ook met elkaar discussieerden en vooral over of er nu bij compassie sprake was van een “voor wat, hoort wat”. Of jouw daad van compassie nu moest worden beantwoord door iets terug te ontvangen, dankbaarheid ofzo of een wederdienst.

We kwamen er zo’n beetje op uit dat dat natuurlijk wel mooi zou zijn, maar dat het daar niet echt om gaat. Dat het compassievolle leven, als het je lukt om dat op te brengen, in zichzelf al de beloning is, dat het een levenswijze wordt, waar je zelf ook rijker van wordt, wat je meer mens maakt.
Leven vanuit de zachte krachten maakt niet alleen de wereld om je heen mooier, leefbaarder, vruchtbaarder, maar het maakt jezelf ook tot een mooier mens.

En met elkaar leven we dan toe naar zo’n visioen als we gelezen hebben in Jesaja 60, een wereld die geregeerd wordt door vrede en gerechtigheid, waar het geweld is verstomd, waar de tranen in de ogen worden afgewist, waar God is, alles in allen, en hij ons lichtend voorbeeld is.

Nog mijlenver van onze bestaande werkelijkheid, natuurlijk, pijnlijk ver soms, maar het mag wel een troostbeeld zijn en een richtingwijzer voor waar het hier en nu naartoe moet. Een kleine kompas voor het leven hier en nu of zoals de clowns die gister ook optraden het zeiden: een kleine kompas, een kompas-sie.

En onze overleden geliefden nu, wat mogen we daarvan denken. Nu om te beginnen dit: wat u daarover fijn vindt om te denken is waar, is waarheid, is uw waarheid. Koester het. Maar misschien mag ik er dit nog bij aanvullen. In zijn compassielezing gisteren zei Thomas Verbogt daarover de verrassende zin “In mijn hart zit een hiernamaals waarin ik mijn geliefden levend hou”.

En als onze geliefden nu God zo ter harte zijn gegaan, zou God dan ook niet in Zijn hart een plek hebben om al zijn geliefden te gedenken, en levend te houden? Ik ben er van overtuigd. Daarop vertrouwen biedt hoop…in geloof uit liefde.

Paul Oosterhoff

3 november 2019

Jan van Hooydonk, Oecumenisch Citypastoraat, Nijmegen,

15 september 2019, ‘Zoeken en vinden, verloren zijn en gevonden worden’, Exodus 32,1-14 [NBV], Lukas 15,1-10 [Oosterhuis/van Heusden]

Zusters en broeders,

Zoeken en vinden, verloren zijn en weer gevonden worden: daarover gaat het vandaag in de lezingen uit de heilige Schrift. Tijdens de voorbereiding van deze overweging schoten mij spontaan enkele regels van de dichter Rutger Kopland te binnen: “Wie wat vindt heeft slecht gezocht”, schreef Kopland eens. En ook: “Hoe zal ik dit uitleggen, dit waarom / wat wij vinden niet is / wat wij zoeken?”

Het joodse volk heeft na zijn uittocht uit Egypte in de woestijn naar richting gezocht en het heeft die aanvankelijk ook gevonden. Het bijbelboek Exodus vertelt dat het volk en de Eeuwige een verbond met elkaar hebben gesloten. Bovendien gaf de Eeuwige aan Mozes op de berg Sinai de Tien Woorden als een leidraad voor goed leven en goed samenleven. “Mozes kwam naar beneden en bracht over aan het volk alle woorden van de Eeuwige en alle regels”, zo vernemen we in hoofdstuk 24 van het boek Exodus. “En het volk gaf antwoord, één stem, zij spraken: Alle woorden die de Eeuwige gesproken en gezegd heeft, zullen wij doen.” Maar enkele hoofdstukken later blijkt het volk die belofte aan de Eeuwige al weer vergeten te zijn.
Want wat is het geval? Mozes is na de verbondssluiting opnieuw de berg opgegaan. Hij ontvangt daar van de Eeuwige voorschriften voor de bouw en inrichting van het tabernakel – dat is: Gods heiligdom op aarde. De Eeuwige wil te midden van zijn volk huizen. En uiteindelijk wil Hij de hele aarde tot zijn woning maken; dat is een geschiedenis van lange adem, zo blijkt. (En dat weten ook wij, toch? Zo veel verder zijn we daar na twintig eeuwen christendom toch nog niet mee gekomen…)
Het is een geschiedenis van lange adem, zei ik. Mozes blijft maar liefst veertig dagen en nachten op de berg om Gods voorschriften over diens woning te vernemen. Het volk dat al die tijd in de vlakte is achtergebleven, beschikt helaas niet over de lange adem die vereist is. Het volk begint te twijfelen aan Mozes’ terugkeer. Wanhoop bevangt hen. Wat hebben ze aan zo’n leider, ja ook: wat hebben ze aan ‘die God van hem’ met wie ze eerder een verbond hebben gesloten?
Het verweesde, vaderloze volk doet dan een beroep op Aäron en eist van hem: “Maak een god die voor ons uit kan gaan, want wat er gebeurd is met die Mozes die ons uit Egypte heeft geleid, weten we niet.” De reactie van Aäron is dubbelzinnig. “Dan moeten jullie me de gouden sieraden van jullie vrouwen en dochters geven”, houdt hij het volk voor. Aäron hoopt wellicht dat die eis het volk te ver zal gaan. Maar hun twijfel en hun wanhoop hebben hen blind gemaakt, zou je kunnen zeggen. De kracht van hun religieuze verlangen maakt hen tot alle offers bereid, zelfs van hun kostbaarste bezit. Ze brengen dus hun goud naar Aäron. Deze smelt het en giet daarmee een godenbeeld. Dat beeld heeft nota bene de vorm van een stierkalf, een god dus die, zoals de goden van de heidense volkeren rond Israël, staat voor vruchtbaarheid, mannelijke potentie en macht.
Het volk gaat zijn nieuwe macho-god aanbidden. Opnieuw probeert Aäron dan om de situatie te redden en het volk op een ander spoor te zetten. Weliswaar beschikt men nu over een nieuwe god, het stierkalf, maar Aäron doet alsof zijn neus bloedt. Of hij meent echt dat het niet zoveel uitmaakt of je een gouden kalf aanbindt dan wel de God van Israël: alsof alle religies op hetzelfde neerkomen. Hoe dit ook zij, het kalf is gegoten. Alsof dat kalf niets betekent, kondigt Aäron aan dat de volgende dag een feestdag voor de Eeuwige zal zijn. En een uitgelaten boel wordt het! Alleen, het wordt zeker geen feest voor de God van Israël, maar een feest ter ere van die nieuwe god, het stierkalf.

“Wie wat vindt heeft slecht gezocht.” Die regel van Kopland is op dit verhaal uit Exodus wel van toepassing. Het volk heeft toen Mozes afwezig bleef, hartstochtelijk naar god gezocht, ze zochten een nieuwe god ter vervanging van de Eeuwige. Maar ze hebben slecht gezocht, ze hebben in de verkeerde richting gezocht. De god die zij menen gevonden te hebben, blijkt namelijk allerminst in staat te zijn om hun diepste verlangens te vervullen. Deze god is niet een god die garant staat voor uittocht en bevrijding, een god die hen naar het Beloofde Land van vrede en recht kan voeren. Een religie of politieke ideologie die macht en potentie als hoogste goed aanbidt, kan namelijk onmogelijk tot een rechtvaardige samenleving leiden. Dat gold toen. Dat geldt natuurlijk nog altijd.

Zoeken en vinden: ook in ons eigen leven kan het voorkomen dat we menen – wellicht in onze wanhoop en twijfel – een ideaal gevonden te hebben dat in feite niet in staat blijkt te zijn om ons écht gelukkiger te maken. Zo’n verkeerd ideaal of zelfbeeld loslaten kan moeilijk zijn. In de kerk helpen we elkaar daar hopelijk bij, al is het maar door samen de Schrift te overwegen, Brood en Wijn met elkaar te delen.
Zoeken en vinden: ook in onze tijd kennen we leidslieden en spraakmakers die ons, burgers van dit land, idealen voorspiegelen, die als ze ten uitvoer zouden worden gebracht, ten koste van mensen zullen gaan. Extra link wordt het wanneer ons dergelijke idealen worden voorgehouden met een beroep op de ‘christelijke beschaving’ die wij zouden zijn. Of wanneer politici zich hierbij beroepen op de zogeheten ‘joods-christelijke traditie’. Dan is toch de vraag: wie aanbidden we eigenlijk als we deze idealen volgen? De God van Israël die ook de God van Jezus is of de god van macht, potentie en eigen volk eerst?

Zoeken en vinden, daarover gaat het vandaag in de lezingen. Maar het gaat ook over verloren zijn en weer gevonden worden. Het joodse volk had gezocht, maar ze hadden niet lang genoeg en niet goed genoeg gezocht. Ze meenden een richting gevonden te hebben, maar in feite was wat zij vonden waardeloos. Ze waren daarmee om zo te zeggen verloren, althans daar lijkt het wel op. De Eeuwige, zo hoorden we, beschouwt het volk vanwege de affaire met het gouden kalf immers niet langer als zijn volk. Hij heeft het tegen Mozes dan ook over ‘dat volk van jou’. De Eeuwige constateert dat zijn verbond met dit volk opgehouden heeft te bestaan. Dus zegt hij tot Mozes: “Houd mij niet tegen: mijn toorn zal hen verteren. Maar uit jou zal ik een groot volk laten voortkomen.” Het antwoord van Mozes toont diens grootheid. Mozes is een door en door integere leider. Het gaat hem niet om zichzelf, om eigen gewin of reputatie, maar om het welzijn van de mensen die aan zijn zorgen zijn toevertrouwd. Mozes hád natuurlijk wel verder kunnen gaan als enige drager van de belofte, maar zonder zijn volk voortgaan, nee, dat wil en dat kan hij niet. Mozes pleit dus bij de Eeuwige voor zijn volk. Hij herinnert de Eeuwige aan zijn eerdere beloften aan Abraham, Isaak en Jakob. Mozes wint het pleit, zo hoorden we. God verhoort zijn gebed. “Toen zag de Eeuwige ervan af zijn volk te treffen met het onheil waarmee hij gedreigd had.”

Verloren zijn en weer gevonden worden: het joodse volk leek verloren, maar werd weer gevonden. Het volk zocht zelf de Eeuwige niet, maar de Eeuwige zocht wél zijn volk, ondanks alles. Jezus zegt het vandaag in het evangelie zo: God is als een herder die koortsachtig het ene schaap gaat zoeken dat verloren is gelopen. Zonder dat ene schaap is de kudde voor God namelijk niet compleet. Dat schaap hoort er óók bij. Gelukkig maar voor ons: de kerk is er niet alleen voor rechtvaardigen, zij is er zeker ook voor zondaars. De farizeeën en schriftgeleerden aan wie Jezus deze parabel vertelde, dachten daar natuurlijk anders over. De farizeeën en schriftgeleerden van alle tijden – binnen en buiten de kerk – denken daar trouwens nog steeds anders over.
Evenzo, zegt Jezus ons in het evangelie, is God als die vrouw die haar huis binnenstebuiten keert om dat ene verloren dubbeltje te vinden. Ja, wanneer ze dat ene dubbeltje gevonden heeft, geeft deze arme vrouw – ze heeft in totaal maar tien dubbeltjes – zelfs een groot feest. Een absurd idee, want ze kan natuurlijk helemaal geen feest betalen. Maar dat is in deze parabel niet het punt waar het om draait. Jezus spreekt in het evangelie niet over aardse rekenkunde, maar over hemelse rekenkunde: Gods barmhartigheid is zonder maat.
De Schrift getuigt vandaag: De Eeuwige kan en wil niet anders dan ons zoeken. Het lied dat wij zo dadelijk zullen zingen, zegt het zo: “Voordat wij Hem (God) zoeken, zijn wij gezocht door Hem.” De vraag is: willen en durven wij dat wel aan, ons door God laten zoeken en vinden? Aan God, zusters en broeders, aan God zal het niet liggen!
Moge dat vandaag dan onze belijdenis zijn. Amen.

De levenspoort: Wet en Profeten

Preek in het OCP, op 29 september 2019, Stevenskerk, Nijmegen

Lezingen: Amos 6, 1-10; Lc. 16, 19-31.

Wat een verschil!

Twee weken geleden, een hoofdstuk terug in Lucas, hoorden we dat God er alles aan gelegen is om een verloren schaap terug te vinden. “Er heerst vreugde onder de engelen van God over één zondaar die tot inkeer is gekomen” (Lc. 15,1-10). Gods genade en vergevingsgezindheid zijn bijna eindeloos, zo begrepen we. Ieder die van de weg raakt en die zich laat vinden, wordt door God daadwerkelijk gezocht, wordt gevonden en gered.

          Maar dan het evangelie van vandaag. In het dodenrijk gaan de rijke man de ogen open, al was het maar door de dorst en het vuur die hem teisteren. Tijdens zijn leven heeft hij geen acht geslagen op de straatarme, behoeftige en zieke Lazarus die dag in, dag uit pal vlak voor de poort van zijn huis zat. In het dodenrijk wordt de rijke man gekweld en hij vraagt aan Abraham of hij via Lazarus – eveneens in het dodenrijk, maar in een ander en veel aangenamer appartement – wat verkoeling kan krijgen. Abraham is onverbiddelijk:  er is een niet te overbruggen kloof tussen jullie – jullie kunnen niet bij elkaar komen. Jij, rijke man, lijdt pijn en Lazarus vindt troost. De wanhopige rijke man vraagt: “ Laat Lazarus, als boodschapper, dan naar mijn broers gaan en hen waarschuwen dat ze zo moeten leven dat ze niet naar dit oord van verschrikking gaan.” Abraham geeft geen krimp: als je niet leeft volgens de Wet en Profeten, dan heb je ook niets aan waarschuwers vanuit het dodenrijk.

          Dit evangelie lijkt geen genade of vergeving te kennen. Er is geen herstel, geen redding mogelijk voor de rijke man, ook niet op het moment van zijn benarde situatie, het moment dat het hem begint te dagen iets wezenlijks over het hoofd te hebben gezien, het moment bovenal dat hij omkomt van de dorst. Wat moeten wij met dit evangelie dat de rijke man zo resoluut de wacht aanzegt – definitief?!

          Voor ons komen er nog wat moeilijkheden bij, als we proberen de betekenis van dit evangelie goed tot ons te laten doordringen. Een evangelie als dit heeft een interpretatiegeschiedenis, ook in ons eigen geloofsleven nog niet zo lang geleden. Immers was de verkondiging van dit evangelie niet vooral gericht op straf en beloning? Straf, indien je leven al te veel lijkt op dat van de rijke man, straf omdat dit alles je in het hiernamaals vreselijk zal opbreken. Of juist beloning: treur maar niet om je ellende en armoede in dit ondermaanse. Wacht maar, stil maar, na je dood zul je ruimschoots worden gecompenseerd. Velen hebben zulke hiernamaalspreken als dooddoeners ervaren.

          Waar gáát dit evangelie eigenlijk over? Op het eind van onze pericoop komt de aap uit de mouw. En wel als Abraham tegen de rijke man zegt dat het helemaal geen zin heeft om getuigen vanuit het dodenrijk als gezanten op mensen af te sturen om hen erop te wijzen wat ze moeten doen en laten. Volg Mozes en de Profeten en ze weten genoeg! Wet en Profeten zijn veel belangrijker en overtuigender dan een orakel uit de onderwereld.

          Wet en Profeten, ze zijn in dit evangelie de bron van leven. Leven voor alles en iedereen, ja eeuwig leven. Wet en Profeten, dat wil zeggen het dubbelgebod van de liefde: houden van God met heel je verstand en je hart en houden van de naaste als van jezelf. Jegens de naaste houdt het liefdesgebod allereerst in dat je rechtvaardigheid, gerechtigheid betracht, gerechtigheid, niet alleen jegens je bekenden en familie, maar vooral jegens de vreemden. Volgens sommige Talmoedgeleerden moet je aan armen, ook en zeker als het vreemden zijn, zelfs 10% of 20% van je inkomen of bezit geven om hen te helpen er weer bovenop te komen – en dit is volgens hen een eis tot gerechtigheid die regelrecht voortvloeit uit de Wet en Profeten.

          Wet en Profeten, dat is niet liberaal leven en laten leven. Neen, uit het bovenstaande mag iets anders blijken: Wet en Profeten betekenen dat je je maximaal inspant om de armen er weer bovenop te helpen. Wet en Profeten, het is niet leven en laten leven, maar het is het leven voor anderen helpen mogelijk te maken, zodat het leven, als het goede leven voor allen, dichterbij komt. Voor allen, d.w.z. zowel voor Lazarus als voor de rijke man en allen in hun positie. Helaas, de rijke man heeft dit niet beseft tijdens zijn leven en is daarom al bij zijn leven onder de doden.

          In dit evangelie is sprake van een poort. Een poort kun je dicht houden of juist open doen. In onze pericoop blijft hij dicht. Lazarus zit daar en wacht tevergeefs op wat voedsel vanuit het huis van de rijke. Ook in onze eigen situatie zien we dat die poort vaak dicht blijft. Dat is zo in onze directe omgeving. Maar ook in de samenleving die ons omringt is er vaak sprake van gesloten deuren. Er zijn vele zelfverrijkers die de klachten van ontheemden, ontrechten en slachtoffers niet horen. Er zijn heel wat klimaatontkenners die het kreunen van de natuur negeren en zich doof houden. Maar zo hoeft het niet te zijn. Zo hoeft het niet te blijven. Zolang wij leven, kunnen wij de poort open doen en de klachten opvangen van hen die naast de weg zijn geraakt, van hen die geen plek meer hebben. Zolang wij leven, kunnen wij steeds scherper onze oren spitsen om te luisteren naar de barensweeën van de schepping, het zuchten en steunen van moeder aarde onder de uitbuiting van diezelfde aarde door menselijke exploitatie. Zolang wij leven, hebben wij de kans om elkaar en onze schepping het leven mogelijk te maken. Het is niet te laat, het is nooit te laat, het is nooit onmogelijk, als we het beslissende moment maar niet voorbij laten gaan, zoals de rijke man helaas wel deed. Die poort open maken is de toegangspoort van Wet en Profeten, die poort die in het Johannesevangelie wordt gelijkgesteld met Jezus van Nazaret: Ik ben de deur (Joh. 10,9).

          Te moeilijk, te zwaar, te hoog gegrepen deze opgave? Elders, in Mattheus, zegt Jezus dat zijn juk zacht is en zijn last licht (Mt. 11,30). Of in de woorden van Deuteronomium, waarmee ik wil besluiten:

 ‘De geboden die ik u vandaag heb gegeven, zijn niet te zwaar voor u en liggen niet buiten uw bereik. Ze zijn niet in de hemel, dus u hoeft niet te zeggen: “Wie stijgt voor ons op naar de hemel om ze daar te halen en ze ons bekend te maken, zodat wij ernaar kunnen handelen?” Ook zijn ze niet aan de overkant van de zee, dus u hoeft niet te zeggen: “Wie steekt de zee over om ze daar te halen en aan ons bekend te maken, zodat wij ernaar kunnen handelen?” Nee, die geboden zijn heel dichtbij, u kunt ze in u opnemen en u eigen maken; u kunt ze volbrengen.’ (Deut. 30, 11-14).

Moge het zo zijn.

Leo Oosterveen

4e zondag van de herfst / 28e door het jaar

Stevenskerk, 13 oktober 2019

Lezingen: 2 Koningen 17: 5-7, 24, 29-34; Lukas 17: 11-19

De bevolking wordt verdreven. Daar ga je, op transport, in ballingschap, op de vlucht. Huis en land moeten je verlaten. Waar gaat het naartoe? Kom je ooit terug?

Die radeloze beweging van vrouwen en kinderen en mannen is van alle tijden: een film die in het Midden-Oosten voor de zoveelste maal wordt afgedraaid. Bekend, maar het went natuurlijk nooit. Het geweld, de angst; gewonden en doden; wantrouwen en haat. En onbegrip en afweer bij wie van verre gadeslaan wat er verschrikkelijk aan de gang is.

Op afstand krijgen we het allemaal weer mee wat er nu gebeurt in het grensgebied van Turkije en Syrië. Alsof er in dat Midden-Oosten nog niet genoeg gevochten en geleden is.

In de schriftlezing uit het tweede boek Koningen hoorden we hoe Salmanasser, koning van Assur, in 721 vóór Christus  hetzelfde deed als Erdogan van Turkije nu: een gebied schoonvegen, de autochtone bevolking verdrijven en er mensen van elders huisvesten. ‘De koning van Assyrië stuurde mensen uit Babel, Kuta, Awwa, Chamat en Sefarwaïm naar de steden van Samaria, waar hij hun een woonplaats toewees in plaats van de Israëlieten’ (vers 24).

Die mensen nemen van de plek waar ze voorheen woonden culturele gewoontes en religieuze gebruiken mee. Er ontstaan mengvormen, men wisselt onder elkaar zo het een en ander uit. Ook de Joodse Thora voegt men bij het multi-religieuze pakket — een doorn in het oog van orthodoxe gelovigen; immers zij wijzen het vele af en kiezen voor de Ene-gezegend-zij-hij, de ene Geliefde, die het overbodig en onwenselijk maakt dat er meerdere minnaars zouden zijn.

De Samaritaanse gemeenschap met die veelkleurige komaf bestaat nog steeds in het huidige Palestina, op de westelijke Jordaanoever, bij de berg Gerizim. Maar de van oorsprong multi-religieuze gemeenschap beschouwt zichzelf heden ten dage juist als ‘hoeder van de Thora’. Gaandeweg dus hebben de Samaritanen bij uitstek de Thora omarmd. Ze vieren de feesten die in de Thora beschreven worden, zoals de komende week het Loofhuttenfeest.

In bijbelse tijden echter stonden zij voor: alle kanten op; een beetje zus, een beetje zo; het kan allemaal; we doen wat wij prettig vinden, zolang wij maar niet hoeven te kiezen; graag rommelen we wat aan en distantiëren ons in elk geval van orthodox geloof: wij mijden de kerk van Jeruzalem, daar hebben wij niets mee! Liefst gaan wij vrijblijvend onze eigen gang!

Joden en Samaritanen gaan in het Evangelie moeilijk met elkaar om. Als Jezus opgaat naar Jeruzalem om er het Paasfeest te vieren, zetten ze hem de voet dwars en verlenen hem in hun gebied geen gastvrijheid. Toch zet Jezus hen niet als tegenstanders weg. Elke ontmoeting met een Samaritaan is voor hem de ontmoeting met een medemens.. Een ontmoeting van een ik en een jij, waarbij alles mogelijk is en open ligt.

In zijn beweging richting Jeruzalem stuit Jezus op tien melaatsen: tien mensen aangetast, geschonden, besmettelijk ziek. Van verre blijven ze staan — zoals het hoort. Want normale communicatie is niet meer mogelijk. Ze zijn uit de gewone samenleving verbannen. Van over de rand verheffen zij hun stem en roepen: Kyrie eleison!”, “Jezus, meester, ontferm u over ons!” Dan staat er dat Jezus ziet. Het zien van Jezus is in heel het Evangelie opmerkelijk. Zijn ogen kijken ons aan: steeds weer die blik. Later in de christelijke traditie wordt Jezus’ blik op iconen gevangen en bijvoorbeeld op fresco’s boven de apsis van kerkgebouwen. Ook daar kijken Jezus’ ogen ons aan, waar we ons ook in de ruimte bevinden.

De tien melaatsen verheffen hun stem. Voor iedereen is het te horen, maar Jezus ziet.

De tien melaatsen staan stil. Maar op het woord van Jezus gaan ze bewegen. Die beweging wrikt hen los uit hun positie, ontrukt hen aan het etiket ‘melaats’. Op het woord van Jezus lopen zij hun redding tegemoet. Al gaande genezen zij.

Van één van hen wordt gezegd dat hij zag: hij zag dat hij genezen was. Het is hetzelfde zien als dat van Jezus. Zien verder dan de oppervlakte. Zien als begrijpen, de betekenis vatten.

Die ene keert dan terug naar Jezus. Het is de terugkeer, de ommekeer, die in de heilige Schrift de toekeer is naar de Eeuwige. Van over de rand, ver van huis geraakt, keer jij terug, eindelijk! Die ene keert terug en verheerlijkt God met grote stem. Door God te verheerlijken voegt hij zich in het zingen dat door heel het evangelie van Lukas gaat: vanaf Jezus’ geboorte, via de engelen en de herders, via mensen her en der die door Jezus worden aangeraakt, gaat er een lofzang door het evangelie, die eindigt in de slotregels, als de leerlingen van Jezus in de tempel van Jeruzalem staan te zingen (24:53).

In het Evangelie van vandaag zingt die ene die bezoedeld was, gestigmatiseerd en geïsoleerd. Hij zingt Gods lof, valt voor Jezus’ voeten neer en dankt hem. Danken heet in het Grieks: ‘eucharistie verrichten’. Zoals de eucharistie hier zo dadelijk ook dankzegging is — vanwege verlossing waar wij deel aan hebben, hoe geschonden en verkreukeld we ook zijn en van welke etiketten ook door anderen en onszelf voorzien.

Die ene die eerst ‘kyrie eleison’ geroepen had, hij zingt Gods lof en dankt Jezus. Tussen het roepen om ontferming en de lofzang zit de ommekeer: de ommekeer die hij met zijn voeten maakte maar ook van binnen. Iets in hem keert om: omdat hij ziet! Jezus ziet, en hij, die ene melaatse, ziet. Er is een kijken over en weer.

Die ene, die ziet en de ommekeer maakt en zich invoegt in het zingen is een Samaritaan.

De andere negen behoorden tot het rechtgelovige volk. Maar zij slaan de plank mis. Uitgerekend zij gedragen zich zoals eerder van de Samaritanen gezegd werd: nogal oppervlakkig. Want je hebt pech of geluk in het leven; je roept wel in je nood tot God, maar zodra het je goed gaat leef je weer… ja zoals je altijd leefde. Niet te moeilijk doen. Je neemt het zoals het komt. Je probeert iets en mooi als het helpt. Je ondergaat een ritueeltje, je bent best religieus. Maar: in jou verandert er niets. Je loopt alle kanten op maar keert niet terug. Op jouw Kyrie eleison volgt geen Gloria. Je kijkt niet verder. Je antwoordt niet op hem die jou aanziet. Er is geen ik en jij, geen echte ontmoeting, geen omarming.

Maar eucharistie betekent transsubstantiatie, een wezenlijk verandering: van aantasting naar heelheid; van eigenbelang naar gemeenschap; van oppervlakkigheid naar diepte; van zomaar-wat-mensen naar lichaam van Christus; van onverantwoordelijkheid naar echte bekommernis; van cynisme naar hoop; van kortzichtigheid naar de blik van Jezus.

Wat valt er veel te doen in onze aangetaste wereld. Overal roept het om verlossing, ook in onszelf. Moge het vieren van de eucharistie, moge deze dankzegging maken dat zich iets omkeert in ons en dat wij kijken met andere ogen, betrokken en hoopvol. En mogen wij onverdeeld zijn in onze keuze voor het goede — bij wijze van antwoord op hem die ons aanziet.

In de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest.

Henk Gols

Preek OCP Stevenskerk 20 oktober 2019

Frits Hendriks

Genesis 32, 23-32 & Lucas 18, 1-8

Zal God dan niet zeker recht verschaffen aan zijn uitverkorenen die dag en nacht tot hem roepen?

Dit is een retorische vraag. Dus het antwoord is ja. God zal zeker recht verschaffen aan degenen die tot hem roepen. Want God ziet mensen wél, in tegenstelling tot de rechter uit de parabel. Want wat is er daar aan de hand? Een weduwe, niet verder aangeduid, wil haar recht halen. Zij roept de rechter ter verantwoording. Hij ziet haar niet staan en negeert haar. De weduwe houdt aan, blijft roepen. De rechter ziet haar niet staan en negeert haar. De weduwe houdt aan, blijft roepen. De rechter begint er last van te krijgen en hij geeft haar een soort recht. Hij schikt met haar, hij betaalt haar af. Dat heeft niets te maken met echt recht, met rechtvaardigheid en gerechtigheid. Hij ziet de weduwe nog altijd niet staan, hij neemt haar niet serieus. Ze is alleen een obstakel dat moet worden weggeruimd. Dat doet de rechter zo efficiënt mogelijk.

Wat hij wil voorkomen is een daadwerkelijke rechtszaak. Het eerste wat daar gevraagd wordt: Bent u (in mijn geval) Frederik Emanuel Peter Hendriks, roepnaam Frits? Natuurlijk is het een identificatie om er zeker van te zijn dat straks de juiste persoon de bak indraait, maar het is meer. Bent u Frederik Emanuel Peter Hendriks, roepnaam Frits? Ja, dat ben ik. En de rechter zal zeggen: Goed dat u hier bent. Wij zullen luisteren naar uw getuigenis, wij zullen oordelen op basis van u te zeggen heeft. Dat is gerechtigheid. Dat is wat een goede rechter zou doen. Die ziet je. Die noemt je bij jouw naam.

Heeft u zelf ooit een situatie gehad waarin u bleef roepen, maar niet werd gezien? Heeft u zelf ooit iemand niet willen of kunnen zien die u aanriep?

Zal God dan niet zeker recht verschaffen aan zijn uitverkorenen die dag en nacht tot hem roepen?

Aan Jakob stelt God -tenminste Jakob suggereert dat hij met God geworsteld heeft- de vraag: Hoe is jouw naam? Dat is wat een rechtvaardige rechter doet, maar het klinkt niet naar een God die jou al kent voor je geroepen hebt.

Het hele verhaal komt mij eerlijk gezegd voor als een one night stand. De hele nacht hebben ze liggen worstelen met elkaar en als het ochtend wordt, wordt nog even snel gevraagd: Hoe heet je eigenlijk? Om het toch een beetje te vermenselijken.

“Ik heet Jakob,” zegt Jakob dan. “Vanaf nu heet je geen Jakob meer, maar Israël.” En dat is veelzeggend. Jakob betekent JHWH beschermt of/en hij bedriegt. Israel betekent hij worstelt met God. Hij en God zijn niet meer gescheiden, maar hebben een relatie. Ze zijn tot elkaar gekomen in die ene nacht.

En nee, het was geen one night stand. Het was allang bezig. Jakob vraagt: “Hoe is jouw naam?” En de persoon met wie hij worstelt kijkt hem aan en zegt: “Hoezo vraag je mij naar mijn naam? Je kent me toch allang? Ik ben het!”

Op welk moment heeft u ooit merkbaar een relatie met God gekregen?

Zal God dan niet zeker recht verschaffen aan zijn uitverkorenen die dag en nacht tot hem roepen?

Ja zeker, dat zal God doen, want hij is een rechtvaardige rechter die ons al kent voor wij geroepen hebben. Maar hoor ik tot zijn uitverkorenen? Dat is een vraag waar veel theologie over is gemaakt. Een vraag waar elke christen op de een of andere manier mee stoeit of worstelt.

En ook bij mij was het een hele strijd. Ik wist wel dat het niet zozeer aan God lag. Ik ben opgegroeid met een God, met een theologie die iedereen uitverkiest. De vraag is alleen: wat doe ik daarmee? Antwoord ik wel als God mij aanspreekt? En is mijn antwoord genoeg; of wil de jaloerse minnaar God meer, meer, meer. Beantwoord ik Gods liefde wel gepast? Vragen, vragen, moeilijk, moeilijk.

En toen BAM! “Voor wie ik liefheb wil ik heten.” Uit het gelijknamige gedicht van Neeltje Maria Min, waarin ze zegt dat haar moeder haar naam is vergeten en haar kind nog niet weet hoe ze heet. Hoe kan ze zich dan geborgen weten? Dan zegt ze: “Voor wie ik liefheb wil ik heten.” Ik wil dat God mij ziet, ik wil dat hij mij noemt bij mijn naam, ik wil voor hem heten. Dus blijkbaar heb ik hem lief, want voor wie ik liefheb wil ik heten. Ik geef toe dat dit geen sluitende logische verklaring is, maar voor mij tot de dag van vandaag fundamenteel. God en ik zijn niet meer apart, maar we hebben een relatie.

Ik wil dat God mij ziet. En ik zeg met de dichteres: “Noem mij, bevestig mijn bestaan, laat mijn naam zijn als een keten. Noem mij, noem mij, spreek mij aan, o noem mij bij mijn diepste naam. Voor wie ik liefheb wil ik heten.”

Door wie wil u hartstochtelijk worden aangesproken?

Zal God dan niet zeker recht verschaffen aan zijn uitverkorenen die dag en nacht tot hem roepen?

Amen.

Preek

Preek in het Oecumenisch City Pastoraat, op de tweede adventszondag, 8 december 2019, Nijmegen, Stevenskerk

Lezingen: Jes. 11,1-10 en Mt. 3,1-11

Het kleine begin van Gods kracht

Wat Johannes de Doper hier aankondigt in ons evangelie is hopen en verwachten, maar eigenlijk meer dan dat: het gaat om een zeker weten en hij kan niet anders dan wat op handen is met de grootste kracht en vurigheid aankondigen: “het koninkrijk van de hemel is nabij en maak daarom de paden recht voor de komende Heer” (Mt. 3,2-3). De profeet die in Jesaja optreedt om Israël op de juiste wegen te wijzen en deze gereed te maken voor de komst van de Eeuwige (Jes. 40,3), deze profeet is nu teruggekeerd in de persoon van Johannes de Doper. En hij kondigt niets minder aan dan een messiaanse tijd – deze wereld omgekeerd, zoals we even later zullen horen wanneer Jezus zijn zaligsprekingen doet in de bergrede (Mt. 5,1-11).

           Kunnen wij nog zo verwachten als Johannes de Doper doet? Ja kunnen we überhaupt nog verwachten? Hoe staat het met ons vermogen nog iets te verwachten? Het lijkt wel of het leven van veel mensen op dit moment balanceert tussen hoop en vrees. “Zal ik mijn pensioen wel halen?”  “Hoe zal het gaan met klimaat?” “Kan ik nog wel een woning vinden?” “Red ik het wel met mijn lichamelijke conditie in de komende jaren?” “Kan ik de stijgende woonlasten wel dragen”? “Waar moet het heen met een samenleving met steeds meer daklozen”? “Krijg ik wel voldoende opdrachten binnen?” “Hoe lang houd ik het nog vol in mijn eentje?” “Kan ik mijn partner wel blijven verzorgen gezien haar of zijn sterk afnemende gezondheid?” “Kan ik de oplopende stress in mijn werk wel aan?” Achter veel voordeuren is er een zekere bevangenheid als het om dit soort persoonlijke en maatschappelijke vragen gaat. Voor heel wat mensen is het dagelijks leven en zijn de dagelijkse zorgen een kwestie van: “ik hoop maar dat het mijn tijd zal duren”, of “ik hoop maar dat het lijntje niet breekt.” Zo’n gevoel is heel begrijpelijk, want breekt het lijntje inderdaad, dan is dat in veel gevallen een probleem, zo niet een ramp. Zelfredzaamheid heet het ideaal, maar de praktijk is vaak een besef van onmacht.

          Tegenover dit levensgevoel moet Johannes’ aankondiging van iets totaal anders, het rijk Gods, wel schrik aanjagen, want dat kan het toch al zo wankele evenwicht in ons leven omver gooien. Als de bijl al aan de wortel ligt, zoals Johannes zegt (3,10), heb je dan nog iets goeds, iets hoopvols te verwachten, iets om naar uit te zien?

          Toch moeten we Johannes’ profetie serieus nemen. Want hij kondigt een heil aan dat haaks staat op alles wat het menselijk leven onmenselijk maakt. En dat zijn zeker ook onze gevoelens van onmacht die ons verlammen. Als je daarvan af wilt, zul je moeten proberen open te staan voor wat daaraan een eind maakt, de staak in het wiel, de onderbreking in de tredmolen van de malende gedachten. Onderbreking. Onderbreking is volgens de afgelopen week overleden bekende Duitse theoloog Johann Baptist Metz de kortste definitie van wat godsdienst is. Gods heil en bevrijding onderbreken, ja doorbreken alles wat mensen op sociaal en persoonlijk vlak gevangen zet ‘omdat het nu eenmaal zo is, omdat het nu eenmaal de gang der dingen en van de maatschappij is’.

          Verwachtingsvolle openheid voor deze radicale onderbreking van Godswege, daartoe roept Johannes de Doper zijn omstanders en ons op. Het is dringend. De vereiste ontvankelijkheid moet maximaal zijn. Uiteraard, want God komt niet zomaar. Maar misschien komt dit allemaal toch wat overweldigend en intimiderend over. Kunnen wij Gods heil wel aan?

          Tegelijkertijd vraagt Johannes om een maximale inspanning van onze kant: “maakt recht de paden van de Heer“ en “brengt goede vruchten voort die nieuw leven waardig zijn” (3,3; 3,8; 3,10). En bij dit alles moeten we ons bekeren, omkeren, we moeten ons laten reinigen in de bekeringsdoop die Johannes toedient en we moeten de weg van de Eeuwige recht maken. Natuurlijk, want om welke weg zou het anders moeten gaan? Maar de vraag blijft niettemin: is dit niet te hoog gegrepen, teveel gevraagd? Kunnen we dit allemaal opbrengen, ook al is het uiteindelijk perspectief nog zo mooi?

          Johannes de Doper wijst in zijn profetie naar degene die na hem komt, Jezus. In deze adventsperiode kijken we naar Jezus uit als het kind dat van Godswege ons tegemoet komt. In een kerstpreek van ongeveer een eeuw geleden heeft Titus Brandsma gezegd dat met de komst van het kind Jezus God zich klein heeft gemaakt opdat de mens groot en krachtig zou worden. Dit is het paradoxale van Gods heil. Niet een overweldigende goddelijke inbreuk of een bovenmenselijke krachtsinspanning kenmerken de komst van het koninkrijk der hemelen. Neen, het is de kleinheid van het Godskind dat de mens in zijn kracht stelt – ook om het hoofd te bieden aan alle hoofdbrekens, aan alles wat ongerijmd is in ons leven.

          De profetie uit Jesaja 11 sluit wonderwel op dit inzicht aan. De telg van de stronk van Jesse is vol van de geest van de Eeuwige, een geest van wijsheid en kracht zal op hem rusten, staat er (Jes. 11, 2-3). Hij zal rechtvaardig heersen en gerechtigheid en trouw zijn hem eigen (Jes. 11, 4-5). In de christelijke traditie wordt de komst van deze telg betrokken op Jezus en Gods menswording. En in de mystieke traditie wordt vaak gezegd dat Gods menswording zich uiteindelijk voltrekt op de bodem van iedere mensenziel. Daarom kunnen we zeggen dat de kracht, de wijsheid en rechtvaardigheid van deze telg ons allemaal ten deel vallen. God begint klein, ook in ons, en doorbreekt allengs onze angsten, onmacht en bevangenheid – tot in een mate die de stoutste verwachtingen overtreft. In bijna paradijselijke termen schrijft de profeet erover. De wolf ligt naast het lam; de panter naast het boekje; het kalf, de leeuw, de beer, de jongen, de adder en de zuigeling: zij liggen bij elkaar en spelen met elkaar (Jes. 11,6-8).

          Het ongelooflijke wordt waar. Wij mogen ook in die tuin spelen, als we ons overgeven aan de kiemkracht van Gods rijk in ons en onder ons en zo zelf groeien in kracht – te beginnen in deze advent.

Moge het zo zijn. Leo Oosterveen

Pinksteren 2019, ds Anneke de Vries

over Joël 3: 1-5, Hand 2:1-11 en Joh 20: 19-23

Gemeente van Christus,

Heeft u wel eens het gevoel gehad: hier is de Heilige Geest aanwezig? En weet u nog wanneer dat was, en waar? Als u die ervaring heeft hoeft u daar waarschijnlijk niet lang over na te denken – zo’n ervaring blijft je bij. Ik heb zelf dat gevoel wel eens in pastorale gesprekken. Dat er iets gebeurt, meestal bij de ander of in het contact tussen ons, waar ik niet op bedacht was, wat ik ook niet tot stand kan brengen, wat ons overkomt, wat verrassend is en heilzaam. Dat er opeens licht doorbreekt. Of dat dat hele moeilijke opeens toch te dragen blijkt. Als zoiets gebeurt heb ik het gevoel dat dat te maken heeft met “de derde in het gesprek”. Dat is de titel van een boek over pastoraat dat hierover gaat. De derde in het gesprek, dat is de Heilige Geest – onzichtbaar maar werkzaam aanwezig, als een heilzame kracht.

Dat vieren wij vandaag – het geschenk van de Heilige Geest. Uitgestort op de eerste gemeente en daarna op heel veel anderen. Dat is Pinksteren.

Pinksteren is eigenlijk een Grieks woord, en het betekent 50. 50 dagen na Pasen. Beter gezegd: de 50edag van Pasen. En dat betekent: de voltooiing van Pasen. Dat vieren wij vandaag: de voltooiing van het Paasfeest. Nu is het feest helemaal compleet! De opstanding van Jezus en het geschenk van de Goede Geest horen bij elkaar – het is immers de Geestdie levend maakt! In de paasnacht die ene mens, en op de Pinksterdag al die anderen. Pinksteren staat dus niet op zichzelf, maar hoort helemaal bij het Paasfeest. Als de leerlingen van Jezus in het Pinksterverhaal door de kracht van de Heilige Geest spreken over “de grote daden van God”, dan gaat het over Pasen, over de wonderlijke gebeurtenissen in de Paasnacht, over de opstanding.

In het oude Israël was Pinksteren ook al het feest van de voltooiing. Om te beginnen van de gerste-oogst nl.: de oogst van het gerst was met Pasen  begonnen, en was met Pinksteren voltooid. En vervolgens werd het ook het feest van het ontvangen van de stenen tafelen met de 10 geboden. Sjavoeot – wekenfeest, zo heet Pinksteren bij de Joden. En toevallig is het dit jaar ook voor de joden juist vandaagPinksterfeest. Sjavoeot. En de moslims hebben toevallig deze week ook iets bijzonders: de voltooiing van de Ramadan in het Suikerfeest. Groot feest. Zo heeft een groot deel van de wereld in deze tijd wat te vieren – al zijn het dan ook verschillende dingen.  

Wij vieren Pinksteren. In het boek Handelingen wordt het verhaal heel anders verteld dan Johannes doet in zijn evangelie. Dat hebt u net gehoord. In het verhaal van Johannes zitten de leerlingen bij elkaar, en nog ongeveer 120 mensen, staat er eerder in de tekst. Dit is een samenkomst van de eerste gemeente! En het is de avond van de eerste dag van de week.  Dat is de avond van de dag waarop Maria vroeg in de morgen de Opgestane ontmoet had, in de tuin, en Simon en de andere leerling  het lege graf hadden gezien. En nu zitten ze bij elkaar, niet wetend wat te geloven, bang voor de Joden, deuren dicht. En dan komt Jezus in hun midden staan – juist als je bang bent en het niet weet kan het zijn dat Jezus opeens naast je staat. Misschien in hoogst eigen persoon, misschien op een andere manier.  De Opgestane heeft ook grondpersoneel!

Toen Maria in de vroege morgende Opgestane ontmoette, was het Pasen, en nu de gemeente in de avondde Opgestane ontmoet, is het Pinksteren. Pasen kan niet bestaan zonder Pinksteren. De individuele ervaring kan niet bestaan zonder de gemeenschap. Veel mensen denken dat wel, en zeggen dat ook: ik kan prima geloven op mijn eentje, daar heb ik de kerk niet bij nodig. Maar Johannes zegt: ze horen bij elkaar, de ervaring of het geloof van de enkeling en de ervaring of het geloof van de gemeenschap horen bij elkaar. Het een is ingebed in het ander. Het een kan niet zonder het ander. Daarom doen wij er goed aan hier samen te komen, om samen te vieren en te bidden en te luisteren naar de Schrift en Brood en Wijn te delen.

En dan blaast Jezus op hen en zegt: ontvang de Heilige Geest! Zoals God in den beginne Adam de adem inblies, zo blaast de Opgestane de Heilige Geest in de harten van de gemeenteleden. Hij blaast niet alleen op Maria of op Simon of op de leerlingen, nee: allen die daar zijn ontvangen de Heilige Geest. Dat is het nieuwe van Pinksteren: allen ontvangen de Heilige Geest, niet alleen een select clubje.

De scheidslijn tussen het selecte gezelschap van leerlingen van Jezus, en de grotere groep die Jezus volgde, valt hier weg. Het verschil tussen meer nabij of meer op afstand van Jezus doet er kennelijk voor de Geest niet toe. Dicht bij Jezus leven of wat meer op afstand: de Goede Geest van God, de Heilige Geest, die is er voor iedereen. Overvloedig. Ruimhartig. Zoals Joël ook al geprofeteerd had: zelfs over slaven en slavinnen zal de Heilige Geest uitgestort worden, ja over al wat leeft! En daar horen wij zelf dus ook bij!

Die Geest die wordt uitgestort maakt levend, die schept vreugde, die maakt vrijmoedig, die is te herkennen waar leven opbloeit, waar mensen uit zijn op het behoeden van elkaar en op het behoud van de schepping. Waar die dingen gebeuren, daar is de Geest – Marijke Koijk – de Bruijne zegt het zo in haar lied:

Onzichtbaar zoals adem is

woont Gods Geest in ons midden

als levenskracht die bouwt en bruist

en zichtbaar maakt wat in ons huist

aan leven, liefde, zingen.

De Geest van God is overal

waar mensen Haar herkennen

Zij ziet ons door de ogen aan 

van hen die helpend naast ons staan.

Zij gaat door heel de schepping.     [Eva’s Lied 1984 nr 28]

Er valt nogeen scheidslijn weg: na de uitstorting van de Geest verstaan al die buitenlanders die in Handelingen worden genoemd, opeens wat er gezegd wordt, ieder in zijn of haar eigen taal. Hier gebeurt het tegenovergestelde van wat er rond de toren van Babel gebeurde: daar begonnen ze met allemaal een en dezelfde taal en  verstonden de mensen elkaar opeens helemaal nietmeer, hier in Handelingen hebben ze nooit één taal gesproken maar verstaan ze elkaar, tot hun eigen verbijstering, opeens wel

God wil kennelijk die ene taal niet meer, het zijn juist de onderlinge verschillen, de veelkleurigheid en de variatie die hier gevierd worden. De ene mens is geen verlengstuk van de andere mens. Juist het anders-zijn van de ander is waardevol. 

Zo leert ons de Geest: het anders zijn van degene die naast je zit is voor jezelf ten diepste een geschenk. Aan die ander mag ik ontdekken wat mij nog onbekend was. Over God, over mezelf. Makkelijk is dat niet, wij worden meestal gestuurd door angst of afkeer voor wie of wat anders is dan wijzelf. Er is Goede Geest voor nodig om ons daarvan vrij te maken, om zo samen te kunnen leven, om elkaar te beleven als bron van verrijking, juist in dat anders zijn. Anders zijn als personen, anders zijn in de manier waarop we geloven, anders zijn in de manier waarop we handelen. En elkaar toch herkennen als broeders en zusters. Waar dat gebeurt, daar is de Geest – onvermoeibaar aansturend op ontmoeting: open, liefdevol, en zonder oordeel. 

En wat een geluk dat het bij de Geest gaat om neerdalenen niet om neerhalen. Het enige wat wij hoeven doen is ons openstellen voor die Geest, en ruimte maken, zodat Zij ook bij ons neer zal kunnen dalen en haar zegenrijke werk zal kunnen doen, samen met ons! Amen. 

Anneke de Vries

Jan van Hooydonk, Oecumenisch Citypastoraat, Nijmegen,
2 februari 2020, Maria Lichtmis, ‘Alleen iets van het licht’, Maleachi 3,1-5, Lukas 2,22-40.

Zusters en broeders,
Vandaag, de veertigste dag na Kerstmis, horen wij in het evangelie hoe Maria en Jozef met hun kind de tempel in Jeruzalem bezoeken. Ze handelen daarmee overeenkomstig de Thora, de Wet van Mozes. Ze vervullen twee geboden uit de Thora. Ze brengen het voorgeschreven reinigings- en verzoeningsoffer. Rijke mensen offeren dan een ram en een duif, arme mensen zoals Jozef en Maria offeren twee duiven. Dat is het ene gebod dat zij vervullen. Het andere is dat zij hun eerstgeboren zoon opdragen aan de Eeuwige. Dat ritueel is een verwijzing naar de bevrijding van het joodse volk uit de slavernij in Egypte. De eerstgeboren zonen van Egypte vonden daarbij de dood; sindsdien horen de eerstgeboren zonen van Israël aan de Eeuwige toe. Zo ook dus Jezus.
Vandaag, op het feest van Maria Lichtmis, de kerk met dit evangelieverhaal de kerstperiode af: Jezus wordt naar de tempel gebracht. Hij móést, zo wil de evangelist Lukas ons zeggen, natuurlijk wel daarheen gebracht worden. Niet alleen vanwege de voorschriften voor de veertigste dag – het reinigingsoffer en de opdracht van de eerstgeborene – maar ook omdat precies de tempel, het huis van de Heilige van Israël, zijn thuis is. Jezus is immers nauw met de Eeuwige verbonden, ja wordt zelfs zoon van de Allerhoogste genoemd.

“Let op, ik zal mijn bode zenden; hij zal de weg voor mij effenen. Opeens zal hij naar zijn tempel komen, de Heer naar wie jullie uitzien, de engel van het verbond naar wie jullie verlangen”, zo hoorden we de profeet Maleachi aankondigen in de eerste lezing. Dát was de verwachting van het joodse volk. Israël zag uit naar de komst van de Messias – ziet trouwens nog altijd daarnaar uit.
Dat was ook de verwachting van de hoogbejaarde Simeon en Hanna die wij vandaag in het evangelie ontmoeten. Van Simeon wordt gezegd dat hij rechtvaardig en toegewijd is en uitziet naar ‘de vertroosting’- dat wil zeggen: de redding, de bevrijding – van zijn volk. Hetzelfde geldt voor Hanna, die volgens de rabbijnse traditie een van de zeven profetessen van Israël was. Sinds zij op jonge leeftijd weduwe werd, heeft zij haar dagen vastend en biddend in de tempel doorgebracht. 84 Jaar lang al diende zij de Eeuwige ‘nacht en dag’, zo vertelt de evangelist Lukas ons.
In het Nederlands zeggen we ‘dag en nacht’, maar de joden zeggen: ‘nacht en dag’ want naar joods begrip begint de dag ’s avonds, als de duisternis invalt, en vindt de dag de andere morgen en middag zijn voltooiing in het licht. De stokoude Hanna verbeeldt daarmee hoe ons eigen leven kan zijn: Duisternis wordt de meesten van ons niet bespaard – velen van ons kennen in hun leven donkere perioden – maar uiteindelijk zijn wij mensen bestemd voor het licht.
Iemand die daar om zo te zeggen heilig van overtuigd was, was de dichter Hans Andreus (1926-1977). ‘Stenograaf van het licht’ noemt hij zich in een van zijn gedichten. Van hem ook zijn de volgende regels:
Ik weet haast niets meer
van alles wat ik heb willen zeggen.
Ik wil haast niets meer zeggen.
Alleen iets van het licht.

Licht, zusters en broeders, is wat ons wacht. Aan het eind van ons leven, maar ook nu al.

Simeon en Hanna, zij hebben geleefd in volhardende verwachting van het licht.
Verwachting, een ander woord daarvoor is: ontvankelijkheid. “Simeon nam het kind in zijn armen”, zo lezen we in de meeste vertalingen. De vertaling die wij zojuist hoorden, zegt het net iets anders, en naar mijn gevoel veel beter. Huub Oosterhuis en Alex van Heusden vertalen deze cruciale zin als: ‘Simeon ontvangt het kind in zijn armen.’ Niet ‘nemen’ dus, maar ‘ontvangen’. ‘Nemen’ wekt immers de illusie dat onze bevrijding geheel ons eigen werk zou zijn – als ieder ‘zijn kansen neemt’, komt het met de wereld wel in orde, luidt het adagium van de zelfredzaamheid dat in onze samenleving tegenwoordig nogal populair is. Sorry, maar die liberale geloofsbelijdenis vind ik in het Evangelie niet terug! Het evangelie nodigt ons juist uit om niet ‘nemend’ maar ‘ontvangend’ in het leven te staan. Geen grijpgrage handen die nemen, maar open handen die ontvangen.
Ontvankelijkheid is in ons leven werkelijk een heel groot ding! Dat gold voor Simeon en Hanna, maar dat geldt niet minder voor ons. Datgene wat ons in het leven overeind houdt, datgene wat ons het meest gelukkig maakt, ontvangen we; het is een geschenk. Dit geschenk is als het licht: het overkomt ons zo maar, onverdiend. Dit geschenk neemt in ons leven vele gestalten aan: het geschenk dat je geliefde voor je is, dat je vrienden voor je zijn, dat je kinderen, je ouders kunnen zijn. Het geschenk dat wij elkaar hier in het OCP als broeders en zusters mogen ontmoeten. Het geschenk ook dat bestaat uit heel gewone mensen in onze samenleving die om niet het goede doen, voor elkaar zorgen, voor elkaar opkomen. Ook de Amnesty-kaarsen die wij hier ontstoken hebben, herinneren ons aan een geschenk: het geschenk van hen die zich niet bekommeren om hun eigen hachje, maar zich inzetten voor mensenrechten, voor vrede, voor rechtvaardige verhoudingen in onze wereld.

Simeon zingt een lied: “Nu zult gij, Heer en Meester, uw dienstknecht vrij laten gaan volgens uw groot woord, in vrede. Want mijn ogen hebben uw bevrijding gezien die gij bereid hebt voor alle volkeren; licht dat aan vreemde volkeren wordt geopenbaard en dat uw volk Israël doet stralen.” Simeon zingt een lied en wij zingen het vandaag, op de veertigste dag na Kerstmis, met hem mee.
Simeon en Hanna hebben het beseft: het licht waarnaar zij heel hun leven hebben uitgezien, gaat op in dit kind dat vandaag in de tempel verschijnt. Het licht waarnaar Israël zo hartstochtelijk heeft uitgezien, is er van nu af, zoals het lied van Simeon zingt, voor alle volkeren. Vandaag, zusters en broeders, is dat licht er dus ook voor ons. Vandaag ontvangen wij dit licht en we vieren het. Vandaag ook vangt opnieuw onze opdracht aan om dit licht in de wereld verder te dragen.
Ik wil haast niets meer zeggen. / Alleen iets van het licht: moge dat dan onze levensgang zijn, die van u en die van mij.
En moge het Brood en de Wijn die wij zo dadelijk met elkaar delen, een bevestiging zijn van onze volhardende keuze: dat ook wíj vandaag onze handen willen openen om het kind te ontvangen, dat wij willen leven hem achterna: het licht achterna. Amen.