Preek in het Oecumenisch City Pastoraat, op zondag 11 maart 2018 (zondag laetare), Nijmegen, Stevenskerk.

 Lezingen: Jozua 4,19-5,1.10-12 en Johannes 6,1-15

 

Eeuwig leven door breken en delen

 

Wat doe je als veel mensen uitnodigt, bijvoorbeeld om een jubileum te vieren, of als je een feest geeft? Je bereidt je goed voor, zet je beste beentje voor, zorgt voor voldoende eten en drinken en je probeert het de gasten zo goed mogelijk naar de zin te maken.

         Vergeleken hiermee is de ontvangst van de mensen op de weiden langs het meer van Tiberias, dat Johannes ons hier schildert, helemaal niks. De gastheer, Jezus, heeft niks aan te bieden en staat met lege handen. En de gasten die zijn komen aanzetten horen tot het zootje ongeregeld uit de grensregio van Galilea, dat religieus toch al niet zuiver op de graat is en waar geen eer mee in te leggen is. Het fiasco kan niet uitblijven.

         Het zesde hoofdstuk van Johannes, het langste uit dit evangelie, verbindt meerdere verhalen met elkaar, met name het verhaal over de wonderbare broodvermenigvuldiging of broodverdeling met flarden van het laatste avondmaal, dat Jezus met zijn leerlingen houdt op Pesach. Het verhaal over de broodvermenigvuldiging wordt door Jezus in dit hoofdstuk nader uitgelegd en ik wil die uitleg in mijn overweging betrekken.

         Dit hoofdstuk in zijn geheel is immers allerminst alleen maar een beschrijving van een maaltijd, eerder is het een lang betoog van Jezus over het levende brood dat eeuwig leven geeft. Bij de uittocht uit Egypte kreeg het volk Israël manna van God, midden in de woestijn op voorspraak van Mozes (Ex.16,31). Jezus zegt dat Hij zélf het levende brood is dat uit de hemel neerdaalt (Joh. 6,34-40;46-47), en dat het van God zelf afkomstig is en dat je niet meer zult sterven als je ervan eet –iets wat de joden in de woestijn niet konden zeggen. Wie van dit brood eet zal nooit honger meer hebben, zegt Jezus. En dit brood is mijn lichaam, dat het ware voedsel en de ware drank is, wie daarvan eet en drinkt, voegt Jezus toe, zal eeuwig leven hebben (Joh. 6,49-51;53-59). Sterker nog Jezus stelt dit eten en drinken als voorwaarde om tot geloof te komen en tot leven. Hij zegt: “Als u het lichaam van de Mensenzoon niet eet en zijn bloed niet drinkt, hebt u geen leven in u” (6,53).

         Intussen is er is onbegrip alom. Leerling Filippus vraagt waar het geld vandaan te halen om voor al die mensen eten te kopen. En na afloop beschouwen velen Jezus als een wonderdoener, iemand die ze tot koning zouden willen uitroepen (Joh. 6,14). De evangelist laat doorschemeren dat er meer aan de hand was, dat Jezus toch op zijn minst een profeet is en een teken stelt. De profeet Elisa wilde 20 gerstebroden voorzetten aan wel honderd aanwezigen – veel te weinig – maar niettemin bleef er nog veel over (2 Kon. 4,42-44), waaruit bleek dat er de zegen van de Eeuwige op rustte. Wat Elisa deed, doet Jezus in nog grotere mate: 5 broden en 2 vissen verdelen onder 5000 mannen. Maar de omstanders begrijpen dit niet. Als de deelnemers na afloop van de maaltijd Jezus weer opzoeken, zegt Hij tegen hen: “U zoekt me niet op omdat u tekenen hebt gezien, maar omdat u brood gegeten hebt en verzadigd bent.” (6,26).

         Zien, maar toch niet begrijpen. Niet begrijpen, want niet geloven. Of in de woorden van Jezus: ”Maar ik heb u al gezegd dat u niet gelooft, ook al hebt u mij gezien.” (Joh. 6,36). Moet je eerst zo’n zwaar traktaat over het lichaam en bloed van Jezus als eeuwig voedsel geloven, om te begrijpen waarom het gaat bij de wonderbaarlijke broodvermenigvuldiging?

         Natuurlijk, een intuïtie hebben we daar toch al wel van. Diep van binnen weten we allemaal wel dat samen delen van wat je hebt, maakt dat je samen veel meer hebt dan wanneer ieder wat hij heeft voor zich houdt. Delen is vermenigvuldigen – zeker in het evangelie. En die wijsheid is al een groot goed op zich, te midden van de huidige graaicultuur waarin we leven en waar zelfverrijking levensdoel nummer één lijkt.

         Maar in deze veertigdagentijd wil Johannes ons doordringen van een geloofsinzicht dat onder deze wijsheid ligt. Het delen van het brood staat in het teken van het delen en breken van Jezus zélf in het licht van zijn naderende dood die hij voorziet, als hij zegt dat een van de leerlingen, Judas, hem zal overleveren, zo voorziet Jezus aan het einde van dit hoofdstuk (6,71). Alleen een lijdende God kan helpen, zei de Duitse theoloog Dietrich Bonhoeffer. Johannes onderschrijft en onderbouwt die visie. In Jezus breekt God zich, deelt Hij zich uit, en is zo ten diepste betrokken op het leven der lijdenden en stervenden, opdat zij leven in overvloed. Dat dit zo is, is niet te bewijzen, het is een kwestie van geloof, van vertrouwen. En een bron van troost en hoop.

         Tegelijkertijd wil Johannes meer dan alleen een diep gelovige overtuiging overbrengen. Het gaat er om via die overtuiging de betekenis te ontdekken van de alledaagse tekenen en wonderen, zoals het samen breken en delen, ook al lukt dat in het begin niet zo. Vooral spoort Johannes ons aan om, zoals God zijn leven met ons deelt en breekt, dat ook met elkaar te doen en op die manier gestalte te geven aan het dubbelgebod van de liefde. Niet voor niets staat daarom in dit hoofdstuk de praktijk van breken en delen van broden en vissen voorop. Het is deze praktijk die Johannes diep gelovig doorlicht als stimulans aan ons om met het breken en delen nooit meer op te houden.

         Johannes denkt in scherpe tegenstellingen. Er zijn mensen die geloven en mensen die niet geloven. Er zijn mensen die in het licht wandelen en mensen die in duisternis ronddwalen. Grijstinten zijn er eigenlijk niet en dat kan ons een beetje afschrikken. Maar waar het Johannes in de woorden van Jezus om gaat, is een scherp onderscheid tussen schijnmenselijkheid en echte menselijkheid. Breken en delen leidt tot een leven en samenleven waar zegen op rust, ook al gaat er vaak onze eerste voorkeur niet naar uit. Louter voor eigen gewin en succes leven is veel aantrekkelijker, maar daar rust juist geen zegen op – ook al houdt de economie ons dag in dag uit iets anders voor. Het is niet eenvoudig om te kiezen voor zo’n ander leven. Het vraagt zoveel en lijkt ons zo weinig te bevredigen. Maar, zegt Johannes, zo’n leven en samenleven wordt gedragen door God en leidt naar eeuwig geluk, geluk dat niet meer stuk kan, geluk dat de bestemming van de mens is. Het is waar, het is niet een eenvoudige keuze. Jezus’ eigen breken en delen staat in het teken van zijn lijden en dood en velen van zijn volgelingen hebben vervolging ondervonden.

         Wij zijn op weg naar Witte Donderdag, waarop we, zoals op elke zondag, het laatste avondmaal vieren en gedenken. Evenals Jezus iedereen uitnodigt, daar aan het meer van Tiberias, nodigt Hij ook ons zonder voorbehoud uit. Over de betekenis van dat maal hoeven we niet meer te twisten, zoals voorheen toen de kwestie was of het nu om een herinneringsmaal gaat of om de gedaanteverandering van brood en wijn in het lichaam en bloed van Christus. Waar het om gaat is dat wij andere mensen worden door de aanwezige Heer die zijn leven breekt en deelt met ons, opdat wij leven, zoals we nog nooit geleefd hebben.

 

Moge het zo zijn

Leo Oosterveen