Preek in het OCP, op paaszondag 16 april 2017, Stevenskerk, Nijmegen Leo Oosterveen

Preek in het OCP, op paaszondag 16 april 2017, Stevenskerk, Nijmegen

Lezingen: Ez 37,1-14 en Mc 16,1-8

 

                                            Zien en gaan

 

In de paasnacht hebben we het gezongen, de jubelzang van het ‘Laat juichen’, en we hebben het rotsvaste getuigenis van de apostel Paulus gehoord over de verrijzenis van Christus als het fundament van elke verkondiging, als de overwinning op de dood: “Dood waar is uw prikkel, hel waar is uw overwinning?” (1 Kor 15,55) Maar nu, op deze paasmorgen, bekruipt ons een heel ander gevoel, als we luisteren naar het getuigenis van Marcus. Geen spoor van triomf, geen overwinningsroes.

         De vrouwen die bij het graf aankomen, zijn allereerst vol verbazing, want de steen voor het graf, waar twee dagen daarvoor Jozef van Arimatea het lichaam van Jezus had neergelegd, is weggerold – ze hoeven niemand meer te zoeken om hen te helpen. Hun verbazing slaat om in regelrechte schrik als ze niet Jezus’ lichaam, maar een in het wit gehulde jongeman aantreffen die tegen hen zegt dat Jezus hier niet meer is, maar is opgewekt ten leven en dat hij de leerlingen voorgaat naar Galilea en dat zij hem daar zullen zien.

         De reactie van de vrouwen is er niet een van vreugde. Door de woorden van deze man schrikken ze nog meer, ze vluchten weg, zeggen tegen niemand iets. Ze zijn met stomheid geslagen. De aankondiging van de opstanding en de betekenis ervan dringen niet tot hen door en veroorzaken alleen maar verwarring en angst.

         Wat de eerste volgelingen van Jezus overkwam, wordt in dit evangelie goed weerspiegeld. Ze waren ontgoocheld door de executie van Jezus. Alle hoop op wat hij als messias zou kunnen betekenen, was de bodem ingeslagen. Ze konden nog slechts naar het graf gaan om het dode lichaam te balsemen en te oliën. Bij al die teleurstelling, schrik en verwarring restte er niets anders dan er maar het zwijgen toe te doen. Het echec was erg genoeg. De herinnering eraan ophalen te pijnlijk.

         Niettemin, het blijft hangen, dat wat ze hebben meegemaakt in het graf. Ze blijven terugdenken aan die witte man. Wat zei hij ook al weer? Ze herinneren zijn woorden weer. “Wees niet bang, Jezus is niet hier, Hij gaat jullie voor naar Galilea, daar zul je hem zien.” Jezus’ boodschap van genezing en bevrijding, zijn verkondiging van de blijde boodschap en van het rijk Gods, het is niet voorbij en gaat in Jezus’ geest verder, om te beginnen in Galilea. Daar in Galilea zullen ze hem weer zien. Zien? Maar hoe dan? Dan herinneren ze zich het tweede woord van de witte man dat zo belangrijk is. Voorgaan. Jezus gaat hen voor naar Galilea en zij, de leerlingen, moeten hem achterna gaan. Als ze dat doen, zo beseffen ze later, wanneer ze over deze woorden nadenken, dan zullen ze zien dat Jezus is opgestaan. Hun besef van Jezus’ opstanding blijkt ten nauwste verbonden met die navolging van Jezus. Op weg naar Galilea en in Galilea – en later ver daarbuiten – ervaren de leerlingen, ja zien ze gaandeweg wat Jezus’ opstanding betekent. Namelijk dat Gods bevrijdende verhaal niet stopt bij Jezus’ graf, bij dood en verderf, bij teleurstelling, schrik en angst. Het verhaal gaat door, hoe kwetsbaar en ongehoord ook. En van dat verhaal, dat opstandingsverhaal, maken de leerlingen, de vrouwen incluis, zelf deel uit!

         U kent de uitdrukking misschien wel van Angelus Silesius: “Ook al is Christus duizendmaal in Betlehem geboren, maar niet éen keer in u, u bent reddeloos verloren.” Zoiets moeten we, denk ik, ook van de opstanding van Jezus zeggen. Jezus mag duizendmaal opgestaan zijn, als Hij niet in u en mij op staat, dan is het een zinledig verhaal. Deze opstanding in u en mij is daar waar onze navolging is.

         Pasen wordt soms gezien als het eind goed-, al goed-verhaal. Als de definitieve overwinning van het goede op het kwaad, de zonde en de dood. Maar het paasverhaal van dit evangelie vertelt niet over een bovennatuurlijk mythisch strijdtoneel, een titanengevecht, waarbij goede het kwade definitief overwint. Het christendom heeft geen theorie of metafysische verklaring van het kwaad, noch een alomvattende strategie om het kwaad uit te bannen. En God komt er niet in voor als de definitieve en almachtige overwinnaar van kwaad, lijden, ziekte en dood – een opvatting omwille waarvan maar al te vaak God wordt verweten hoe Hij dit of dat toch heeft kunnen laten gebeuren, of waarom Hij het juist niet voorkomen heeft. Onze godsdienst heeft veel minder pretenties en is vooral veel praktischer. Bij alle lijden en ellende die ons feitelijk voortdurend omringt en overkomt, daar is het God die zijn Geest zendt om ons weer op de been te brengen, zoals dat geschilderd wordt in het verhaal van Ezechiël. Onze God is een lijdende God en alleen een lijdende God, de God die in Christus ons lijden deelt, kan helpen, zoals de theoloog Bonhoeffer zei. Een lijdende God is geloofwaardiger dan een zogenaamd almachtige die aan ons lijden voorbijgaat. Geloofwaardiger, omdat, zo er sprake is van almacht, het gaat om Gods weerloze overmacht die ons nabij is en ons probeert te doen opstaan en die ons oproept om de lijdenden op te been te helpen. Die oproep maakt de kern uit van de navolging van Jezus in wie Gods weerloze overmacht het meest zichtbaar is. Op Hem rust Gods zegen en op allen die doen als Hij. Diegenen die gehoor geven aan de oproep tot navolging, belichamen de opstanding, waarvan Jezus de voorganger is.

         Het verhaal van Jezus eindigt niet met de graflegging. In Gods naam werd Zijn geest vaardig over de leerlingen toen zij onder de minsten der zijnen het goede nieuws brachten van het evangelie in Galilea en erbuiten. In hun navolging raakten zij bezield en voelden zij dat Jezus de levende is, aanwezig in hun doen en laten. De leerlingen waren zelf vaak sukkelaars, maar zij zagen Jezus en zij zagen wat zij te doen hadden en zij gingen op pad. Zien en gaan. De twee kernwoorden van de in het wit gehulde man in de grafspelonk, die aangeven wat de centrale betekenis is van de opstanding, niet alleen van Jezus, maar van allen die hem proberen te volgen. Van ons dus. En het blijft niet bij de leerlingen, het blijft niet bij ons. Want het zien van en gaan naar, zij leiden ons naar de armen om hen te helpen opstaan. Het verhaal van de opstanding gaat al doende voort.

         Zien in deze zin vraagt dat je met nieuwe ogen leert kijken, dat je de schellen van de ogen vallen. En gaan in deze zin vraagt voortdurende ommekeer, bekering, telkens opnieuw. Het opstandingsgeloof is niet vrijblijvend. Misschien is dit wel de uiteindelijke reden dat de aankondiging van de in witte kleren gehulde man de vrouwen in eerste instantie verbijsterde en schrik aanjoeg. Misschien is het wel daarom dat deze aankondiging ook ons in verlegenheid brengt.   

         Op deze paasmorgen wordt nu al duidelijk dat we het niet kunnen stellen zonder de Geest, naar wie wij in de komende weken uitzien. De Geest die ons troost en ons helpt bij het zien waarheen en naar wie wij moeten gaan.

 

Moge het zo zijn

Leo Oosterveen