Preek Num 27: 12-23 enJoh10:22-31 OCP 12 mei 2019 Jubilate door ds Anneke de Vries

Gemeente van Christus,

Deze zondag heet bij ons zondag Jubilate, dat is de lutherse benaming. De katholieke benaming is zondag van de Goede Herder, en die past beter bij de teksten die we gelezen hebben vandaag. Over herders gaat het, goede herders. En hun schapen.

Nou moet ik altijd wel over een drempel heen bij dit dit beeld. Ik moet altijd denken aan de uitdrukking “schaapachtig kijken” – dat is nou niet zo’n compliment. En ik moet denken aan mijn oudtante, die vroeger zei weleens tegen mij: “ach schaap”. Dat gaf mij nog ook niet direct de indruk dat ze mij een geweldig leuk, levendig, vrolijk kind vond. En misschien ben ik niet de enige met dit soort associaties. Maar goed, we gaan die drempel natuurlijk wel nemen. Als we niet bereid zijn drempels te nemen dan komen we niet ver in het leven, en ook niet in geloof.

Onze eerste lezing gaat over het volk Israël. Mozes is met het volk jaren op weg geweest, weg uit Egypte, weg uit dat ellendige slavenhuis, op weg naar het beloofde land, het land vloeiende van melk en honing, het land waar alles beter zou zijn, waar het volk vrij zou zijn. Dat hadden ze toen ook al begrepen, hoe ontzettend belangrijk vrijheid is. Daar hebben wij net ook weer uitgebreid bij stil gestaan, wat een verschrikking het is om niet in vrijheid te kunnen leven, en wat een zegen het is dat wij nu wel in vrijheidleven.

Het volk is op weg naar het beloofde land. Dat later de verovering van dat land tot veel moord en doodslag heeft geleid, is verschrikkelijk. Maar over dat aspect wil ik het vandaag niet hebben.

Ik wil het hebben over die tocht die het volk maakte, weg uit het slavenbestaan, op weg naar de vrijheid. Want is dat eigenlijk niet het beeld van alle leven? Zijn wij niet heel vaak, op de één of andere manier, ook op weg, uit de ene situatie of overtuiging, die beknelt, of beklemt, of ongelukkig maakt, of onvrij, naar een andere situatie of overtuiging, een vrijere, een betere? Mozes en het volk trekken voort, niet door grazige weiden, dit soorten tochten gaan door de woestijn, de zon brandt op je hoofd en het water is schaars. Ze doen er lang over, 40 jaar, zeggen sommige teksten – dat is een goed deel van een mensenleven. Zolang kun je er

zelf soms over doen, over je eigen tocht door je eigen woestijn. Maar nu zijn ze er dan ook bijna! Als je op de top van de berg staat, kun je het land zien liggen waar de hele tocht om begonnen is. Zo ziet Mozes, voor het eerst van zijn leven, het beloofde land.

En dat is het dan ook, voor hem. Hij heeft er even een glimp van opgevangen, en daar zal hij het mee moeten doen. Hij zal het nieuwe land niet bereiken. Hij is oud en zal sterven voor ze het laatste stukje hebben afgelegd. De reden die de tekst geeft, is, dat dat de straf is voor Mozes, voor iets wat hij veel eerder heeft misdaan. Hij bereikt zijn doel niet. Dat moet een enorme frustratie voor hem zijn geweest.

Oorspronkelijk wilde hij helemaal niet als leider van het volk optreden, maar onder druk van de Eeuwige doe hij dat uiteindelijk toch. Hij trekt vervolgens in een moedeloos makend tempo met het volk door de woestijn, moet zich allerlei gemor en gekonkel van het volk laten welgevallen, en nu, op de valreep, bereikt hij het beloofde land niet.

Jarenlang kun je je ergens voor inzetten, misschien wel met hart en ziel, en uiteindelijk

lukt het niet. Of het niet lukt zoals je gehoopt had. Dat kan zijn in zaken van de kerk of iets in de maatschappij, of ook meer prive: in je werk, of in je relaties, of iets met kinderen: Je bereikt niet waar je zo naar had verlangd. En waar je zoveel voor hebt gegeven.

In de tekst over Mozes gebeurt dan iets opvallends. Mozes toont geen enkele frustratie of verdriet over zijn niet bereiken van het beloofde land, geen woord spendeert hij aan zichzelf, althans niet in het openbaar. Hij begint ogenblikkelijk te zorgen dat het volk het land wel zal bereiken. Zo bidt hij tot God om een nieuwe leider, en dat zegt hij: “zodat het volk niet zal worden als een kudde schapen zonder herder”. Daar is het beeld van deze zondag. Impliciet duidt hij zichzelf dus aan als herder voor het volk. En een goeie, alles wat hij heeft zet hij in voor het volk. Mozes als herder, vroeger voor zijn schapen, nu voor het volk. Een herder, een leider zonder welke het volk zijn weg door de woestijn niet had gevonden en niet had kunnen volhouden. Zo’n herder, zo’n leider, is essentieel voor het leven.

Zou je zo zelf ook een herder kunnen zijn? Midden in je eigen frustratie of verdriet aandacht hebben, aandacht houden voor de mensen die aan je zijn toevertrouwd, of die zichzelf aan je hebben toevertrouwd, in wat voor verband dan ook maar. Niet je eigen teleurstellingen en frustraties een centrale plek geven, maar er met aandacht zijn en eventueel aandachtig

handelen voor wie aan je zijn toevertrouwd. Aandacht houden voor hoe zij verder kunnen, op

hun weg naar het land waar zijnaar verlangen.

Dat wil niet zeggen dat je je eigen frustraties of verdriet maar onder het vloerkleed moet schuiven. Mozes bijvoorbeeld zien we in allerlei andere situaties ook fors van leer trekken tegen het volk, zelfs de stenen tafelen met de 10 geboden smijt hij aan gruzelementen. Je eigen frustraties moeten ook een plek hebben. Als de centrale plek in je hart, en in je denken en handelen er maar niet door bezet wordt, en als de ruimte die je eraan geeft, maar enigszins beperkt blijft.

+++++++++

Een andere vraag is, wie voor jouzelf eigenlijk “herders” zijn. Mensen aan wie je je oriënteert, die richtinggevend voor je zijn, bijvoorbeeld in geloofszaken, of in dingen die te maken hebben met je levensloop, of nog weer op andere gebieden die er werkelijk toe doen in je leven. Ben je je eigenlijk bewust aan wie je je oriënteert, door wie je je in zekere zin en in zeker opzicht, laat leiden, en waarom dan juist door die persoon.

Als ik naar mezelf kijk heb ik verschillende mensen die een soort “herder”-rol voor mij vervullen. En ze wisselen over de loop van jaren. Soms is het een bepaalde schrijver, soms iemand die mij een tijdje begeleidt, soms een collega. Patiënten in het ziekenhuis met wie ik spreek associeer ik niet direct met zo’n “herder”-rol, maar het is wel degelijk zo dat sommigen van hen mij inspireren, door hun manier van omgaan met de dingen, of door hun vertrouwen, hun geloof. Als je nadenkt hierover, over wie een soort “herder”-rol voor je heeft, dan kunnen je dingen duidelijk worden over jezelf en dat kan je helpen beter in beeld te krijgen wat uiteindelijk belangrijk is voorjou.

+++++++

Achter al die mensen die, voor langere of kortere tijd, een soort “herder” voor je kunnen zijn, staat het oerbeeld van de herder zou je kunnen zeggen: Jezus. We hebben over dat herder zijn van Jezus gelezen in onze tweede lezing van vanmorgen. En zijn herder zijn gaat het herder zijn van mensen verre te boven. Jezus zegt: “niemand zal mijn schapen uit mijn hand roven”. Wie zijn of haar weg zoekt in het spoor van Jezus, is in goede handen, en zal daar niet uit

geroofd kunnen worden door al die beren op de weg van het leven. Vallen kunnen we wel, en dat doen we ook, daar hoeven we ons geen illusies over te maken, Mozes viel ook, maar altijd zal er die hand zijn om ons op te vangen.

En zou het ook niet zo zijn dat ook zij, die zijn toevertrouwd aan Jezus, bijvoorbeeld door hun ouders, bijvoorbeeld bij hun doop, altijd in zijn hand geborgen blijven, hoezeer zij ook hun eigen weg gaan, en hoe ver die weg misschien ook afligt van het spoor dat Hij getrokken heeft. Dat niets en niemand hen zal kunnen roven uit zijn hand.

Dat is ook Pasen: dat zijn kracht groter is dan alle andere kracht. Dat wij daaruit moed putten, voor de week die voor ons ligt, voor de taak die op ons wacht, voor de mensen die op rekenen. Amen