Preek in het Oecumenisch City Pastoraat, op zondag 2 juni 2019, Nijmegen, Stevenskerk

Lezingen: 1 Sam. 12,19B-24 en Johannes 14,15-21

De Geest der waarheid: helper en trooster

Onlangs nog aanwezig geweest op een bijeenkomst met gelijkgestemden?  Een goed gevoel aan over gehouden? Waarschijnlijk wel, want wat is nu prettiger dan aan een half woord genoeg hebben om begrepen te worden, wat is fijner dan dat je als vanzelfsprekend je uitgangspunten, gevoelens, opinies, voorkeuren, je visie op het leven, ja je levensbeschouwing en misschien wel je maatschappelijke en religieuze overtuigingen kunt delen met hen die er net zo over denken? In een gure wereld vol haatmails en nepnieuws is dat als een warm bad! 

         De gemeente waarin en waarvoor Johannes zijn evangelie schrijft, moet zo’n soort ervaring hebben gehad. In een wereld die heel ver afstaat van de ervaringen die de volgelingen van Jezus hebben opgedaan, bemoedigt en versterkt de evangelist hen in hun zelfverstaan tegenover die wereld. Het is een wereld die niets wil weten van God, van Jezus, van de geboden en niets moet hebben van de waarheid in Jezus’ Geest. De geloofsbemoediging van de evangelist is heel krachtig en zeer welkom. Hij bevestigt de volgelingen, in de woorden van Jezus, op een niet mis te verstane manier in hun geloof. “De Geest van de waarheid, zal altijd bij jullie zijn”.(14,16-17). “De wereld kan hem niet ontvangen, maar jullie wel, want hij woont in jullie en zal in jullie blijven.”(14,17). “Ik laat jullie niet als wezen achter en kom bij jullie terug.”(14,18). “Jullie zullen mij zien, want ik leef en ook jullie zullen leven.”(14,19). “Dan zullen jullie begrijpen dat ik in mijn Vader ben, dat jullie in mij zijn en ik in jullie.”(14,20). “Wie mijn geboden kent en zich eraan houdt, heeft mij lief. Wie mij liefheeft zal de liefde van mij en mijn Vader ontvangen en ik zal mij aan hem bekendmaken’”(14,21). Het evangelie ademt een onverbrekelijke band tussen Jezus en zijn leerlingen.

         De pericoop van vandaag maakt onderdeel uit van de grote afscheidsredes van het Johannesevangelie (hs 13-17). Deze redes wijzen eigenlijk allemaal in dezelfde richting: er is een symbiose tussen de Vader, Jezus en diens Geest en de leerlingen en volgelingen. Wat deze laatsten betreft: op voorwaarde dat ze Jezus’ geboden in acht nemen. In deze redes vallen Jezus’ lijden, dood en verrijzenis en de komst van de Geest eigenlijk samen – het is één samengebalde ervaring van Gods genade. Vanuit deze alomvattende ervaring sterkt Jezus, in de woorden van Johannes, de gemeente en moedigt haar aan. Wanneer we dit allemaal in ons achterhoofd houden, hoeft het ons niet te verbazen dat Jezus’ volgelingen een zeer hechte groep gelijkgestemden zijn – die zich op die manier gesteund weten in hun afstand tot de wereld die hen niet begrijpt en niet accepteert.

         Kunnen wij en willen wij tot zo’n gemeenschap horen? Kunnen wij ons nog laven aan zo’n ervaring die de hele gemeenschap omvat? En willen wij het wel? Is zo’n gemeenschap niet te geïsoleerd van de rest van de samenleving, sluit ze zich niet teveel op in haar eigen, exclusieve gelijk? Laten we teruggaan naar onze evangelietekst.

         Tot nu toe ben ik met een grote boog heengelopen om één woord dat we hoorden: ‘de paracleet’. De Geest der waarheid wordt paracleet genoemd, letterlijk: de erbij geroepene. Onze bijbel vertaalt het met ‘de pleitbezorger’. Maar het betekent eigenlijk zoveel als ‘helper en trooster’, degene die ons aanspoort én opvangt, die ‘comfort’ brengt en ‘challenge’, die steunt en uitdaagt. Steun en uitdaging horen volgens godsdienstwetenschappers tot de kernfuncties van de godsdiensten. En hier in het Johannesevangelie komen we die essentiële rol van ons geloof tegen. Dat de Geest steun en bemoediging geeft aan Jezus volgelingen is uit onze pericoop intussen al duidelijk geworden. Maar hoe zit het met de aansporing en de uitdaging?

         Wat verderop in het evangelie lezen we over Jezus’ zendingsopdracht aan de leerlingen: “Ik zend hen naar de wereld, zoals ik zelf naar de wereld gezonden ben” (17,18) – ook al “horen noch zij, noch ik tot de wereld” (17,16). De trooster, helper, steun en aanspoorder: deze Geest is onmisbaar voor de verkondiging in de wereld waartoe de leerlingen van Jezus en dus ook wij geroepen zijn. Deze zendingsopdracht brengt de gemeente buiten de eigen kring van gelijkgestemden. En juist dan hebben we de aansporing en aanmoediging van de Geest hard nodig. Niet alleen om in de wereld staande te blijven, maar vooral om uiting te geven aan wat de Geest precies als Geest der waarheid van ons vraagt: te onderscheiden en te onderstrepen en te getuigen wat écht van waarde is en wat niet. We hoeven wat dit betreft niet ver te zoeken als het gaat om het maken van onderscheid. Wat is op dit moment écht duurzaam leven en samenleven en wat niet? Wat is een echt inclusieve samenleving en wat niet? Wat is een echt goed en gelukkig leven voor allen en wat niet? Wat is serieus nieuws en wat niet? Wat echte zorg en wat niet? Enzovoorts, enzovoorts. Bij al deze vragen en keuzen is de paracleet, de Geest van de waarheid, onmisbaar.

         Betekent dit dat we ons moeten mengen in het titanengevecht tussen ideologieën en politieke stategieën, van utopieën en sociale blauwdrukken? Zaken die maar al te vaak de machtsaspiraties van machthebbers verhullen, zaken die, in de woorden van het evangelie, ‘van de wereld zijn’? Moeten we daarom wel werken aan één waarheid die alle schijnwaarheden doet verbleken? Moeten we ons wel opwerpen als een tegenmacht tegenover de almachten van deze wereld? 

         “Wat is waarheid?”, vraagt Pilatus aan het einde van zijn ondervraging van Jezus (Joh. 18,36). Jezus beantwoordt de vraag van de scepticus feitelijk niet – en geeft zeker geen wijsgerig of politiek exposé. Hij zwijgt. De weerloze overmacht van de lijdende en gekruisigde is geen waarheidssysteem, maar een praktijk, die de onwaarheid laat zien van zoveel wat in onze samenleving aanspraak maakt op waarheid en macht. De praktijk van het breken en delen die Jezus tot de zijne maakt is volgens de Tsjechische theoloog Tomas Halik geen alternatieve waarheid, maar eerder een kritische spiegel tegenoveralles wat zich aandient als goed en waar. Het is geen zoveelste waarheid, maar eerder een lakmoesproef tegenover alle waarheidspretenties en machtsaanspraken: wordt het goede leven voor allen daadwerkelijk gediend of niet? Het zijn deze vragen die de Geest der waarheid ons stelt als mensen die in de wereld zijn, maar niet van de wereld. Deze Geest komt voort niet uit een theorie, maar uit de praktijk van Jezus die zijn leven deelt en die naar het woord van de evangelist ‘brood van eeuwig leven geeft’ (Joh. 6,48-51). Van deze praktijk mogen we en moeten we naar waarheid getuigen. Uit kracht van de helper en trooster.

Moge het zo zijn

Leo Oosterveen