Preek gehouden op 8 januari 2017: De Doop van de Heer

Jan van Hooydonk, Oecumenisch Citypastoraat, Nijmegen,

8 januari 2017, Doop van de Heer, ‘Het leven is afdalen en opstijgen’ (Jesaja 42, 1-9; Matteüs 3,13-17).

 

Zusters en broeders,

 

Het evangelie van vandaag voert ons naar de rivier de Jordaan. Reeds in het Oude Testament neemt de Jordaan een bijzondere plaats in. De Jordaan vormt daar de grensrivier tussen het land van de ‘heidenen’ en het land dat door de Eeuwige is beloofd aan wie zijn geboden onderhouden. Het joodse volk is ooit samen met de Ark des Verbonds – teken van Gods aanwezigheid – droogvoets door de Jordaan heen getrokken. Ze daalden in de rivier af en stegen daaruit weer op, zo vertelt het bijbelboek Jozua. Toen ze uit de rivierbedding weer omhoog geklauterd waren, kwamen ze eindelijk, na een tocht van veertig jaar, aan in het Beloofde Land. Het verhaal in het boek Jozua over de doortocht door de Jordaan vertoont veel overeenkomsten met het verhaal uit het boek Exodus over de eerdere doortocht van het joodse volk door de Rode Zee. De Jordaan markeert in de verbeelding van het Oude Testament net als de Rode Zee de grens tussen dood en leven. Het is op deze plek dat Jezus door Johannes wordt gedoopt en aan ons verschijnt als geliefde Zoon in wie God vreugde vindt. Op de grens van dood en leven dus.

Afdalen en opstijgen: dat is de weg die het joodse volk volgens het Oude Testament is gegaan, door de dood heen naar het leven. Kón Jezus een andere weg gaan dan zijn volk? Wílde hij een andere weg gaan? Johannes de Doper worstelt kennelijk met deze vragen. Hij stribbelt immers tegen; hij wil Jezus aanvankelijk niet dopen, vindt dat het eerder zo moet zijn dat Jezus hem doopt. Maar Jezus antwoordt: “Laat het nu maar gebeuren, want het is goed dat wij op deze manier Gods gerechtigheid vervullen.” Jezus kon noch wilde een andere weg gaan dan zijn volk. Het ging hem immers niet om zijn eigen hachje of zielenheil, maar om een nieuwe wereld voor allen. In Jezus’ doop worden de Schriften vervuld. Ook zijn leven is daarom een afdalen en opstijgen, door de dood heen naar het leven.


Jezus’ leven was afdalen. Dat vierden we met Kerstmis. God, ‘van alzo hoge, van alzo veer’, daalt neer en neemt de gestalte aan van een mens. God daalt af in onze wereld – een wereld vol van dood, vol ook van schuld en lijden. Jezus’ doop is een teken van zijn vereenzelviging, zijn solidariteit, met ons die leven en sterven in deze wereld. Jezus laat zich dopen omdat hij volkomen solidair wenst te zijn met de zondaars die wij mensen zijn. “Hij komt, de Heer, samen met zijn dienaren, de rechter samen met de veroordeelden, om gedoopt te worden”, zo schreef de kerkvader Chrysostomos in de vierde eeuw. Deze solidariteit, deze zelfontlediging, is wezenlijk voor Jezus. Kenmerkend voor zondaren – de mensen die wij zijn, mensen verstrikt in schuld – is dat ze niet in staat zijn om volkomen solidair te zijn met anderen. Ons eigenbelang of onze eigendunk staat de vereenzelviging met anderen in de weg. Zo niet bij Jezus! Juist omdat hij zelf zonder zonden is, is hij in staat volkomen solidair te zijn met de zondaren, met ons dus. Zijn doop in de Jordaan is daarvan een teken.

Jezus’ leven was opstijgen. Pasen klinkt vandaag reeds door. God zelf heeft de doop van Jezus bevestigd, zo hoorden we in het evangelie. Jezus gaat kopje onder in het water van de Jordaan: beeld van de doortocht van het joodse volk en van zijn eigen dood. Jezus stijgt weer uit het water op en komt weer op het droge: beeld van de intocht van het volk en van zijn opstanding, van zijn verrijzenis. Jezus stijgt weer op uit het water van de doop. Dan opent zich de hemel en daalt de Geest op hem neer. “De aarde was nog woest en doods, en duisternis lag over de oervloed, maar Gods geest zweefde over het water”, zo begint het scheppingsverhaal in het boek Genesis. Vandaag zweeft de Geest opnieuw over het water. Waarmee gezegd wil zijn: vandaag begint een nieuwe schepping. Jezus komt uit het water omhoog en de Geest van God daalt als een duif op hem neer. En dan klinkt die stem ‘van alzo hoge, van alzo veer’, die zegt: “Dit is mijn geliefde Zoon, in hem vind ik vreugde.” Bevestiging van Godswege van de weg die Jezus zal gaan: opstijgen tot de hoogte van God.

 

Afdalen en opstijgen: dat is ook de weg die de gemeente, die elke gelovige gaat. De doop is daarvan het teken.

Ons leven, persoonlijk en collectief, veronderstelt afdalen, afdalen van onze hoge troon van eigenbelang en eigendunk. De wereld en onze opdracht daarin niet ontvluchten. Onze verantwoordelijkheid voor medemensen aanvaarden.

Hoe dan wel? Hoe doe je dat? Laten we een voorbeeld nemen aan de dienaar van de Heer, zijn uitverkorene, over wie de profeet Jesaja vandaag spreekt. Vrijheid van meningsuiting is voor menigeen een vrijbrief geworden om van alles en nog wat te roepen. Maar voor de dienaren en dienaressen des Heren geldt: bevrijd je van je eigen gelijk. Schreeuw dus niet, zegt Jesaja, hef geen spreekkoren tegen anderen aan en verhef je stem niet alsof jij de enige bent die over waarheid zou beschikken. Mensen wier leven toch al aan duigen ligt, mensen die het in de samenleving toch al niet getroffen hebben, krijgen vaak nog een douw na. Maar, zegt Jesaja, zo zou het bij ons niet moeten zijn: je moet alles doen om het riet dat geknakt is, weer rechtop te helpen. En ook: doof de kwijnende vlam nimmer, want het is een wandaad om je naaste te beroven van zijn laatste restje aan hoop en menselijke waardigheid. Noem hem dus ook niet onbemiddelbaar en verklaar haar niet tot illegaal. Zie hem of haar daarentegen als een unieke medemens – beeld van God zoals jijzelf – en niet primair als de zoveelste vertegenwoordiger van een etnische of religieuze groep, laat staan als een potentiële terrorist.

Dit is dus wat wij als dienaren en dienaressen des Heren zouden moeten doen: onszelf de ogen openen voor onze verblinding, onszelf bevrijden uit de kerker van onze zelfgenoegzaamheid. Door zo te doen ontsteken wij een licht in de duisternis, de duisternis van onszelf en anderen. Dit is wat Jezus met zijn leven en sterven voor ons deed en wat ons ook in het verhaal over zijn doop als reële toekomstmogelijkheid voorgehouden wordt: afdalen in de Jordaan, solidair met onze medemensen, om zo op te stijgen tot onze bestemming: geliefde zoon, geliefde dochter in wie God vreugde vindt.

 

Afdalen, kopje onder moeten gaan. Opstijgen: je door God als zijn kind aanvaard en geliefd weten, daaraan kracht ontlenen tot grenzeloze solidariteit. Jezus’ leven kent deze dubbele beweging. Zijn doop is daarvan het teken. Ook wij kennen deze dubbele beweging. Ónze doop is daarvan het teken. Die doop gedenken wij – en ons geloof belijden wij – wanneer wij zo dadelijk onze hand in het water dopen en daarbij, in stilte of hardop, de woorden uitspreken waarmee wij eens gedoopt zijn:

‘in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest’. Amen.