Preek gehouden op 13 augustus door Albert K. Ploeger

Gemeente van Christus,

“Veilig te zijn geeft angst” Dat is de kern-spreuk van de huidige Documenta 14 in het Duitse Kassel. Wij bezochten deze kunst-tentoonstelling, en ze imponeerde mij bijzonder.

“Being Save is Scary”; “Veilig te zijn geeft angst”        Want voor wie nu in vrede en veiligheid woont dringt zich de beklemmende vraag op: Hoeláng ben ik nog veilig?

De kunst-tentoonstelling in Kassel laat je zien dat wij in het Westen op een luxe-eiland wonen, waar de armen van de wereld slechts van kunnen dromen. En dan komen die vervelende kritische kunstenaars onze rust verstoren. Alsof onze onrust al niet genoeg wordt aangewakkerd door krant en tv.

                 Arme wij! Onze veiligheid, onze vrede en onze welvaart kunnen ons angstig maken…

Het verschil tussen persoonlijke rust en politieke onrust is van alle tijden. Het was er evengoed in de tijd toen Jeremia door God geroepen werd om zijn volk te vermanen. De gegoede stand leefde zeer welvarend in en rond Jeruzalem. Ten koste van de armen, slaven, vreemdelingen en onder hen vooral de vrouwen en de kinderen.

         “Dat gaat niet goed, Jeremia. Jij moet ze waarschuwen.”

“Maar ik kán niet spreken! Ik ben te jong!” Zo reageert de doodongelukkige Jeremia als hij de stem van de Heer verneemt. De stem die zegt:“Nog voordat ik jou vormde in de schoot van je moeder, heb ik jou al gekend; nog voordat je uit de baarmoeder kwam, heb ik jou al geheiligd. Tot een profeet voor de volkeren heb ik je aangesteld.”

     Dit moeten we vasthouden: Jeremia, profeet voor de volken. Voor élke mens op aarde. “Inclusief denken”, hoorden we de vorige zondag.

Er is voor Jeremia geen houden aan. Het is een vreselijke roeping.

Misschien herkent u dat gevoel zelf wel een heel klein beetje.

Wij ouderen waren uit overtuiging “voor een nieuwe levensstijl!” Daar kwamen we overal voor uit. Maar zo’n vreselijke roeping, zoals bij Jeremia, nee, dat werd het nooit.

Het enorme verschil tussen toen en nu is, dat Jeremia telkens onheilswoorden moest uitspreken. Als de kerk in Nederland deed zou men lachen; maar nu hoort men van politieke leiders oorlogstaal. Waarbij zij vaak voorbij gaan aan economische problemen rond klimaat en verdeling van welvaart.

Jeremia wil Gods oordeel niet uitspreken; hij jammert het uit: “En als ik dan niet meer aan God wil denken, dan is het in mijn hart als brandend vuur (…), wel mat ik mij af om het in te houden, maar ik kán het niet.”                    Zodat hij het op een zeker moment uitschreeuwt: “Ach, was mijn moeders schoot maar mijn graf geworden!”

                   Jeremia, de tragische profeet. Hij leefde rond 600 voor Christus. De Judese leiders deden niet wat de machthebber, de koning van Babel, wenste en hij verwoestte Jeruzalem. De leiders worden naar Babel weggevoerd, en Jeremia komt terecht in Egypte.

Toch was Jeremia misschien niet alleen een onheilsprofeet . De tekst die we vanmorgen hoorden is misschien later toegevoegd door anderen: “Zoals Ik zware rampspoed over dit volk heb gebracht, zo breng ik later weer heil…”

Wat denkt u, is deze héils-profetie uitgekomen? Wat was de vóorwaarde dat het volk heil zou ontvangen? En wat is voor ons de voorwaarde om in ónze tijd niet in angst te leven?

Laten we ons eerst eens inleven in de verlangens die elk volk wel kent,ook nu. Net als Corry Vonk, toen ze zong:  ik vertolk de gevoelens van het volk. Met me vlaggetje, me hoedje en me toeter.

     Wat wil het volk? Ja, wat willen ook wij, godsdienstige mensen, eigenlijk het liefst? Willen we geen préttige God, een God die ons idool kan zijn?

       Maar…, een idool is in de bijbel geen popster, geen wereldkampioene sprint, of een beroemde voetbalvrouw, nee, een idool is een afgod.

Een afgod, die ons steunt in nood, die ons een goed leven geeft. Die ons vrede en rust geeft in een onrustige wereld.

Maar tegen deze gemakzuchtige instelling over “wie God is”, hebben alle profeten, al vanaf Mozes, geprotesteerd. Niet alleen Jeremia!

       Want de God van Israel is de God van liefde en gerechtigheid, die zich ontfermt over de zwákken. Over hen die onderliggen. Wie met God wil gaan, wie God lief heeft, zal volgens de wet van Mozes, de Thora, hulp bieden aan weduwe en wees; de vreemdeling goed behandelen. Alleen wanneer dat overal op aarde gebeurt, kunnen alle volken in vrede met elkaar leven. Die vrede van God, die volgens Jeremia, bestemd is voor alle volken.

Natuurlijk, ook voor Juda. God zal een nieuw verbond sluiten met zijn volk.

           Maar ja, wat gebeurt er? De vrede waar de profeet Jeremia op hoopt, waar de profeet Jesaja van sprak, en waar wij aan denken bij Het Kerstkind in de kribbe, die vrede is nooit gekomen.

Oh zeker, de Judeeërs zijn teruggekeerd uit de ballingschap; ze hebben de tempel weer opgebouwd. Ze waren tot inkeer gekomen en beloofden God dat ze opnieuw de wet van Mozes zouden gaan volgen.

           Ze begonnen opnieuw, maar helaas zagen velen –misschien wel de meesten– God nog steeds als een idool, een afgod die vooral jòu moet helpen. Ze hadden niet geleerd dat hun God omziet naar de onderdrukten. En dat leven met God betekent dat wij dat ook doen.

Dus dat wijzelf moeten zorgen dat de armen een bestaan kunnen opbouwen. Dat, wanneer men God de eer geeft, hoogmoedige mensen een toontje lager gaan zingen. Dat de rijken hun teveel aan bezit kwijt raken, zodat wie honger lijdt te eten krijgt en een dak boven zijn hoofd.

Waar horen we dat? Dát zei, vijf eeuwen na de ballingschap, Maria.

Jeremia’s heilsprofetie was niet uitgekomen. Vijf eeuwen lang kwamen er geen bijzondere profeten meer; het woord van God werd schaars in Israël. Totdat Maria haar lofzang op de God van de nederigen zong. Toen veranderde àlles

Alles?

Is de lofzang van Maria wel echt gevolgd door grote sociale veranderingen?

                 Haar zoon Jezus bracht geen nieuwe leer. Wel zette hij de woorden van Mozes over in de context van zijn eigen tijd.

Hij was uitermate kritisch op de onderdrukking van mensen die er ellendig aan toe waren, niet in het minst de vrouwen.

Hij zei: “De Geest van de Heer is op mij om aan armen het evangelie te brengen, om aan gevangenen, blinden en ieder die in ellende leeft, vrijheid te brengen”.

Dat schreef de evangelist Lucas. De armen, de ellendigen, zij horen bij Jezus, én ieder die Jezus wil volgen, die de Geest van God wil ontvangen en zich dus ook inzet voor de armen.

Bovendien, Lucas voegt nog toe, dat dit heil volgens Jezus niet alleen geldt voor Israel, maar voor alle volken. Al die mensen noemt Jezus kinderen van het licht. Ieder die de idolen verlaat omdat hij gegrepen is door deze God die omziet naar mensen, die niet gezien worden.

Daarover laat Lucas Jezus een gelijkenis vertellen. De parabel gaat over een onrechtvaardige rentmeester, een oplichter die zijn eigen idool, zijn eigen afgod volgt. Hij wil geld zien. Hij is alleen maar uit op zijn eigen welzijn. Jezus noemt die man een kind van de wereld, van de duisternis. Terwijl Jezus mensen die bij God horen, kinderen van het licht noemt.

Zijn wij dat? De Franse theoloog Marion maakt een scherp onderscheid tussen een idool en een icoon. Tussen enerzijds mensen die een idool, een afgod, aanhangen. En anderzijds zij, die gekozen hebben voor dé icoon, dé beeltenis van God: Jezus Christus. Inclusief alle andere mensen, wie dan ook, zegt Marion, die door hun sociale gedrag laten zien, dat ze hetzelfde doel in hun leven hebben.

   Daar zijn vast en zeker veel kunstenaars uit de hele wereld bij, zoals zij, die op de Documenta in Kassel hun kritiek laten zien en horen.

Die mij zeiden: Kijk maar uit met jouw idee van rust. Pas maar op dat je niet angstig wordt die veiligheid te verliezen.

 

Wie zijn dus de kinderen van het licht? Wel, zeg maar, alle mensen uit alle volken, die het niet alleen om hun eigen hachje gaat, maar streven naar gerechtigheid.

Ja, het is waar! Ieder die zich wil inzetten voor de armen, staat aan de kant van God.

 

De God, vertelt Jezus, die met ontferming bewogen is over de armen…., én over de zondaren.

Wie zijn de armen? Nou, dat weten wij maar al te goed.

     Mensen, vooral vrouwen en kinderen, in Afrika en Azië, die willen delen in onze welvaart.

     Mensen in Parijs die leven in krotten.

     Mensen dichtbij, vooral weer vrouwen, die er niet in slagen rond te komen.

Maar wie zijn de zóndaren?          Houdt u vast:    Dat zijn wij. Tenminste dat meen ik. Want wie God niet kent, kan ook geen zondaar zijn. Hij heeft immers geen besef van zonden.

Wíj zijn zondaren, want de profeten, Jezus voorop, hebben ons leren inzien dat onze idolen geen cent waard zijn. Omdat idolen ons afhouden van het goede leven met God. En wij willen immers niets liever zijn dan kinderen van het licht. Wij zijn mensen die het besef hebben dat de wereld kan leiden naar het goede leven, wanneer wij de Thora volbrengen.

Net als Jezus zelf. Jezus heeft zich zijn leven lang de afgoden van het lijf gehouden. Hij heeft het volbracht.

 

Ik weet niet, gemeente, hoe u het ziet, maar ik heb toch ook nog wel mijn idolen. Sommigen ken ik; maar ik heb vast ook idolen, waar ik mij minder bewust van ben

Maar ik zóu in het spoor van Jezus Christus, dé icoon van God, willen gaan.

Ik hoor Jezus zeggen:

“Mijn kind, wees toch even slim als de mensen die kwaad doen met geld en goed. Alleen, jij zult het òmgekeerde doen. Jíj zult geld en goed, waar de meeste mensen onrechtvaardig mee omgaan, op een goede manier gebruiken.”

 

Zondaren zijn mensen die van harte bij God willen horen. Ze zijn en blijven zondaren omdat ze lang niet altijd even slim zijn, en lang niet altijd even trouw zijn aan Jezus.

Maar ze hóren bij Jezus, die het volbracht heeft.    Amen.