Preek Exodus 20: 1-17 en Joh 2: 13-22              OCP 4 mrt 2018, Anneke de Vries

Preek Exodus 20: 1-17 en Joh 2: 13-22              OCP 4 mrt 2018,

3e van de 40dagen

 

Gemeente van Christus

 

 

Jezus reisde naar Jeruzalem – nee, dat staat er niet, als je het preciezer vertaalt zeg je:

Hij klom op naar Jeruzalem.

Jeruzalem ligt hoog, het land eromheen ligt laag –

je klimt op naar Jeruzalem, maar de tempel, naar God.

Net zoals vorige week Jezus en 3 leerlingen opklommen de berg op, waar een stem uit de wolk tot Jezus sprak: dit is mijn geliefde Zoon. En net zoals het oude volk Israël opklom uit het land van de slavernij naar het beloofde land, in Ps 81 kun je dat mooi lezen.

Opklimmen om God te vinden, om God te dienen en te eren.

 

Wat Jezus echter in Jeruzalem, in de tempel vindt,

heeft weinig met dienen en eren van de Eeuwige te maken, maar lijkt erg veel op wat het volk Israël in Egypte te lijden had: onderdrukking, uitbuiting, machtsmisbruik –

en waar dat volk onder blijft lijden, in het evangelie van vandaag van binnenuit Vroeger was het gebruikelijk dat de pelgrims, die naar Jeruzalem opklommen om het Pesachfeest te vieren, een offerdier meebrachten,

van hun eigen kudde of thuis aangeschaft. Een echt offer.

De armen brachten een duif mee. Maar dat mocht niet meer.

De tempelorganisatie had bepaald dat alle offerdieren in de tempel aangeschaft moesten worden.

Gedwongen winkelnering.

En zoiets gaat al gauw tegen woekerprijzen.

Bovendien was bepaald

dat er alleen gave munten de tempel ingebracht mochten worden. Er moest dus een hoop geld gewisseld worden.

En bij het geld wisselen lopen de winsten natuurlijk ook prachtig op.

Zo worden de pelgrims uitgebuit en misbruikt v

oor de winst van enkelen die zich in de tempel een baantje hadden toegeëigend.

 

En daarover wordt Jezus woedend.

Dat het huis van zijn Vader, dat een huis van gebed moet zijn,

een ”huis van gebed voor alle volken” nog wel, zoals Jesaja zegt (Jes 56:7) , dat dat huis misbruikt wordt voor de uitbuiting van mensen.

Jezus’ prediking in woord en daad is één grote aanklacht

tegen dat hele systeem van macht en onderdrukking en geldelijk gewin dat overal en altijd weer de godsdienst perverteert –

en de boodschap van Gods liefde en gerechtigheid verduistert! Dat is niet alleen in de joodse tempel het geval,

de christelijke kerken kunnen er ook wat van en al die anderen trouwens ook.

 

De reactie van Jezus laat aan duidelijkheid niets te wensen over: hij maakt een zweep van touw en mept de handelaars eruit

met hun geld en hun beesten. Chaos!

Jezus gaat dus niet alleen maar genezend en helend rond, brood en vis delend,

maar wordt soms ook ontzettend kwaad. Niet alleen over dit soort dingen,

ook als zijn vriend Lazarus overleden blijkt te zijn, wordt Jezus ook heel kwaad –

veel te vroeg is zijn vriend ten prooi gevallen aan de dood. Zoals zijn Vader soms ook ontzettend kwaad kan worden als zijn volk afgoden achterna loopt

en er rechtverkrachting plaatsvindt in plaats van rechtbetrachting. Woedend wordt hij daarvan.

 

Misschien zouden wij in dit opzicht ook wel eens wat meer in zijn spoor kunnen gaan.

Velen van ons zijn opgevoed met het idee dat woede niet goed is, onderdrukt moet worden,

maar de Schrift leert ons iets heel anders.

Woede die erop gericht is iets ten goede te veranderen, noemen we warme woede.

Dat is de woede die we juist heel hard nodig hebben, ik denk iedereen op zijn tijd in zijn of haar eigen leven, en wij met elkaar in de maatschappij.

 

Koude woede is iets anders.

Die is destructief, die maakt kapot. Daar kun je beter ver van blijven.

 

Warme woede, die zien wij bij God en bij Jezus, en die kunnen wij zelf ook inzetten

als er iets niet goed gaat.

==========================

 

 

Als iemand hier vorige week de Wellness markt in de kerk kort en klein had geslagen, dan zou de politie heel snel op de stoep staan

en dan zou diegene zich moeten verantwoorden.

Zo ging het bij Jezus ook: de tempelpolitie houdt hem staande. Wat geeft jou het recht dit te doen?

En dan geeft Jezus een beetje een raadselachtig antwoord. Hij begint over zijn eigen lichaam als tempel.

 

In de tijd dat Israël wegtrok uit Egypte, woonde God in de tabernakel,

de draagbare tent die meegedragen werd de woestijn door. Later woonde God in de tempel in Jeruzalem.

Maar nu zegt Jezus: mijn lichaam is de tempel. Met andere woorden: God woont in mij.

Zo zien wij God in Jezus. Maar het gaat nog verder.

Want weer later schrijft Paulus:

wijzelf zijn de tempel van de levende God die heeft gezegd: ik zal bij hen wonen en in hun midden verkeren (2 Cor 6:16). En dat heeft nogal gevolgen:

We hoeven dus niet meer krampachtig op zoek te gaan naar God,

of proberen Hem vast te houden door een tentje voor Hem op te slaan. Wijzelf zijn de tempel van de levende God.

De levende God woont in ons.

En dan moet ik opeens denken aan de lied van Henriëtte Roland Holst, heel mooi op muziek gezet door Tera de Marez Oyens:

 

Dit ene weten wij en aan dit één houden we ons vast in de donkere uren:

er is een Woord, dat eeuwiglijk zal duren, en wie ’t verstaat, die is niet meer alleen.

 

 

Wij zijn niet meer alleen, wij zijn nooit meer alleen want de Eeuwige woont in ons.

 

 

Maar dan doet meteen ook de vraag zich voor: wat woont er eigenlijk nog meer in ons?

Hopelijk liefde en mildheid en barmhartigheid en rechtvaardigheid en nog een paar andere goede dingen,

maar woont er misschien ook iets in ons

waar Jezus zijn zweep van touw overheen zou leggen?

Een geloof als een systeem bijvoorbeeld,

of verlangen naar macht en geldelijk gewin ten koste van anderen – dat zou ook in ons kunnen leven, net als in de tempel in Jeruzalem, maar in ons kunnen ook heel andere dingen leven.

Wat moet er bij ons uit?

Wat valt niet te verenigen met de inwoning van de Eeuwige? Daar is de 40-dagentijd ook voor:

voor bezinning op ons eigen leven, ons innerlijk leven en ons uiterlijk leven, en op ons eigen geloven.

 

++++++++

 

 

Als liefdevolle handreiking hiervoor ontvangt het volk Israël de 10 woorden, de regels voor de vrijheid,

kort na hun bevrijding uit Egypte:

die zeggen vijf keer nee tegen de goden (die van daarboven) en vijf keer nee tegen godvergeten praktijken van beneden. Hemel en aarde, goden en mensen,

het hele leven is inbegrepen in die regels. En die regels vergen interpretatie.

En wel een zodanige dat ze betekenis krijgen voor jou zelf, voor jouw leven. Ouaknin, een frans-joodse filosoof en rabbijn,

heeft er op gewezen dat de 10 woorden aan Mozes gegeven zijn op de berg Horeb.

Die drie letter hebreeuwse letters hrb betekenen `vernietiging’ –

die 10 woorden zouden onze zekerheden wel eens helemaal omver kunnen gooien.

 

 

Jezus interpreteert ze ook.

Hij zegt: die 10 woorden betekenen dit:

De Heer je God liefhebben met heel je hart en heel je zien en heel je verstand, en je naaste als jezelf. Kort maar zeer krachtig.

 

Dat de 10 woorden en deze interpretatie voor ons een leidraad mogen zijn, in deze 40 dagen, in onze gemeenschap en in ons hele leven. Amen.