Preek 2 februari 2020

Jan van Hooydonk, Oecumenisch Citypastoraat, Nijmegen,
2 februari 2020, Maria Lichtmis, ‘Alleen iets van het licht’, Maleachi 3,1-5, Lukas 2,22-40.

Zusters en broeders,
Vandaag, de veertigste dag na Kerstmis, horen wij in het evangelie hoe Maria en Jozef met hun kind de tempel in Jeruzalem bezoeken. Ze handelen daarmee overeenkomstig de Thora, de Wet van Mozes. Ze vervullen twee geboden uit de Thora. Ze brengen het voorgeschreven reinigings- en verzoeningsoffer. Rijke mensen offeren dan een ram en een duif, arme mensen zoals Jozef en Maria offeren twee duiven. Dat is het ene gebod dat zij vervullen. Het andere is dat zij hun eerstgeboren zoon opdragen aan de Eeuwige. Dat ritueel is een verwijzing naar de bevrijding van het joodse volk uit de slavernij in Egypte. De eerstgeboren zonen van Egypte vonden daarbij de dood; sindsdien horen de eerstgeboren zonen van Israël aan de Eeuwige toe. Zo ook dus Jezus.
Vandaag, op het feest van Maria Lichtmis, de kerk met dit evangelieverhaal de kerstperiode af: Jezus wordt naar de tempel gebracht. Hij móést, zo wil de evangelist Lukas ons zeggen, natuurlijk wel daarheen gebracht worden. Niet alleen vanwege de voorschriften voor de veertigste dag – het reinigingsoffer en de opdracht van de eerstgeborene – maar ook omdat precies de tempel, het huis van de Heilige van Israël, zijn thuis is. Jezus is immers nauw met de Eeuwige verbonden, ja wordt zelfs zoon van de Allerhoogste genoemd.

“Let op, ik zal mijn bode zenden; hij zal de weg voor mij effenen. Opeens zal hij naar zijn tempel komen, de Heer naar wie jullie uitzien, de engel van het verbond naar wie jullie verlangen”, zo hoorden we de profeet Maleachi aankondigen in de eerste lezing. Dát was de verwachting van het joodse volk. Israël zag uit naar de komst van de Messias – ziet trouwens nog altijd daarnaar uit.
Dat was ook de verwachting van de hoogbejaarde Simeon en Hanna die wij vandaag in het evangelie ontmoeten. Van Simeon wordt gezegd dat hij rechtvaardig en toegewijd is en uitziet naar ‘de vertroosting’- dat wil zeggen: de redding, de bevrijding – van zijn volk. Hetzelfde geldt voor Hanna, die volgens de rabbijnse traditie een van de zeven profetessen van Israël was. Sinds zij op jonge leeftijd weduwe werd, heeft zij haar dagen vastend en biddend in de tempel doorgebracht. 84 Jaar lang al diende zij de Eeuwige ‘nacht en dag’, zo vertelt de evangelist Lukas ons.
In het Nederlands zeggen we ‘dag en nacht’, maar de joden zeggen: ‘nacht en dag’ want naar joods begrip begint de dag ’s avonds, als de duisternis invalt, en vindt de dag de andere morgen en middag zijn voltooiing in het licht. De stokoude Hanna verbeeldt daarmee hoe ons eigen leven kan zijn: Duisternis wordt de meesten van ons niet bespaard – velen van ons kennen in hun leven donkere perioden – maar uiteindelijk zijn wij mensen bestemd voor het licht.
Iemand die daar om zo te zeggen heilig van overtuigd was, was de dichter Hans Andreus (1926-1977). ‘Stenograaf van het licht’ noemt hij zich in een van zijn gedichten. Van hem ook zijn de volgende regels:
Ik weet haast niets meer
van alles wat ik heb willen zeggen.
Ik wil haast niets meer zeggen.
Alleen iets van het licht.

Licht, zusters en broeders, is wat ons wacht. Aan het eind van ons leven, maar ook nu al.

Simeon en Hanna, zij hebben geleefd in volhardende verwachting van het licht.
Verwachting, een ander woord daarvoor is: ontvankelijkheid. “Simeon nam het kind in zijn armen”, zo lezen we in de meeste vertalingen. De vertaling die wij zojuist hoorden, zegt het net iets anders, en naar mijn gevoel veel beter. Huub Oosterhuis en Alex van Heusden vertalen deze cruciale zin als: ‘Simeon ontvangt het kind in zijn armen.’ Niet ‘nemen’ dus, maar ‘ontvangen’. ‘Nemen’ wekt immers de illusie dat onze bevrijding geheel ons eigen werk zou zijn – als ieder ‘zijn kansen neemt’, komt het met de wereld wel in orde, luidt het adagium van de zelfredzaamheid dat in onze samenleving tegenwoordig nogal populair is. Sorry, maar die liberale geloofsbelijdenis vind ik in het Evangelie niet terug! Het evangelie nodigt ons juist uit om niet ‘nemend’ maar ‘ontvangend’ in het leven te staan. Geen grijpgrage handen die nemen, maar open handen die ontvangen.
Ontvankelijkheid is in ons leven werkelijk een heel groot ding! Dat gold voor Simeon en Hanna, maar dat geldt niet minder voor ons. Datgene wat ons in het leven overeind houdt, datgene wat ons het meest gelukkig maakt, ontvangen we; het is een geschenk. Dit geschenk is als het licht: het overkomt ons zo maar, onverdiend. Dit geschenk neemt in ons leven vele gestalten aan: het geschenk dat je geliefde voor je is, dat je vrienden voor je zijn, dat je kinderen, je ouders kunnen zijn. Het geschenk dat wij elkaar hier in het OCP als broeders en zusters mogen ontmoeten. Het geschenk ook dat bestaat uit heel gewone mensen in onze samenleving die om niet het goede doen, voor elkaar zorgen, voor elkaar opkomen. Ook de Amnesty-kaarsen die wij hier ontstoken hebben, herinneren ons aan een geschenk: het geschenk van hen die zich niet bekommeren om hun eigen hachje, maar zich inzetten voor mensenrechten, voor vrede, voor rechtvaardige verhoudingen in onze wereld.

Simeon zingt een lied: “Nu zult gij, Heer en Meester, uw dienstknecht vrij laten gaan volgens uw groot woord, in vrede. Want mijn ogen hebben uw bevrijding gezien die gij bereid hebt voor alle volkeren; licht dat aan vreemde volkeren wordt geopenbaard en dat uw volk Israël doet stralen.” Simeon zingt een lied en wij zingen het vandaag, op de veertigste dag na Kerstmis, met hem mee.
Simeon en Hanna hebben het beseft: het licht waarnaar zij heel hun leven hebben uitgezien, gaat op in dit kind dat vandaag in de tempel verschijnt. Het licht waarnaar Israël zo hartstochtelijk heeft uitgezien, is er van nu af, zoals het lied van Simeon zingt, voor alle volkeren. Vandaag, zusters en broeders, is dat licht er dus ook voor ons. Vandaag ontvangen wij dit licht en we vieren het. Vandaag ook vangt opnieuw onze opdracht aan om dit licht in de wereld verder te dragen.
Ik wil haast niets meer zeggen. / Alleen iets van het licht: moge dat dan onze levensgang zijn, die van u en die van mij.
En moge het Brood en de Wijn die wij zo dadelijk met elkaar delen, een bevestiging zijn van onze volhardende keuze: dat ook wíj vandaag onze handen willen openen om het kind te ontvangen, dat wij willen leven hem achterna: het licht achterna. Amen.