preek 15 september 2019

Jan van Hooydonk, Oecumenisch Citypastoraat, Nijmegen,
15 september 2019, ‘Zoeken en vinden, verloren zijn en gevonden worden’, Exodus 32,1-14 [NBV], Lukas 15,1-10 [Oosterhuis/van Heusden]

Zusters en broeders,
Zoeken en vinden, verloren zijn en weer gevonden worden: daarover gaat het vandaag in de lezingen uit de heilige Schrift. Tijdens de voorbereiding van deze overweging schoten mij spontaan enkele regels van de dichter Rutger Kopland te binnen: “Wie wat vindt heeft slecht gezocht”, schreef Kopland eens. En ook: “Hoe zal ik dit uitleggen, dit waarom / wat wij vinden niet is / wat wij zoeken?”

Het joodse volk heeft na zijn uittocht uit Egypte in de woestijn naar richting gezocht en het heeft die aanvankelijk ook gevonden. Het bijbelboek Exodus vertelt dat het volk en de Eeuwige een verbond met elkaar hebben gesloten. Bovendien gaf de Eeuwige aan Mozes op de berg Sinai de Tien Woorden als een leidraad voor goed leven en goed samenleven. “Mozes kwam naar beneden en bracht over aan het volk alle woorden van de Eeuwige en alle regels”, zo vernemen we in hoofdstuk 24 van het boek Exodus. “En het volk gaf antwoord, één stem, zij spraken: Alle woorden die de Eeuwige gesproken en gezegd heeft, zullen wij doen.” Maar enkele hoofdstukken later blijkt het volk die belofte aan de Eeuwige al weer vergeten te zijn.
Want wat is het geval? Mozes is na de verbondssluiting opnieuw de berg opgegaan. Hij ontvangt daar van de Eeuwige voorschriften voor de bouw en inrichting van het tabernakel – dat is: Gods heiligdom op aarde. De Eeuwige wil te midden van zijn volk huizen. En uiteindelijk wil Hij de hele aarde tot zijn woning maken; dat is een geschiedenis van lange adem, zo blijkt. (En dat weten ook wij, toch? Zo veel verder zijn we daar na twintig eeuwen christendom toch nog niet mee gekomen…)
Het is een geschiedenis van lange adem, zei ik. Mozes blijft maar liefst veertig dagen en nachten op de berg om Gods voorschriften over diens woning te vernemen. Het volk dat al die tijd in de vlakte is achtergebleven, beschikt helaas niet over de lange adem die vereist is. Het volk begint te twijfelen aan Mozes’ terugkeer. Wanhoop bevangt hen. Wat hebben ze aan zo’n leider, ja ook: wat hebben ze aan ‘die God van hem’ met wie ze eerder een verbond hebben gesloten?
Het verweesde, vaderloze volk doet dan een beroep op Aäron en eist van hem: “Maak een god die voor ons uit kan gaan, want wat er gebeurd is met die Mozes die ons uit Egypte heeft geleid, weten we niet.” De reactie van Aäron is dubbelzinnig. “Dan moeten jullie me de gouden sieraden van jullie vrouwen en dochters geven”, houdt hij het volk voor. Aäron hoopt wellicht dat die eis het volk te ver zal gaan. Maar hun twijfel en hun wanhoop hebben hen blind gemaakt, zou je kunnen zeggen. De kracht van hun religieuze verlangen maakt hen tot alle offers bereid, zelfs van hun kostbaarste bezit. Ze brengen dus hun goud naar Aäron. Deze smelt het en giet daarmee een godenbeeld. Dat beeld heeft nota bene de vorm van een stierkalf, een god dus die, zoals de goden van de heidense volkeren rond Israël, staat voor vruchtbaarheid, mannelijke potentie en macht.
Het volk gaat zijn nieuwe macho-god aanbidden. Opnieuw probeert Aäron dan om de situatie te redden en het volk op een ander spoor te zetten. Weliswaar beschikt men nu over een nieuwe god, het stierkalf, maar Aäron doet alsof zijn neus bloedt. Of hij meent echt dat het niet zoveel uitmaakt of je een gouden kalf aanbindt dan wel de God van Israël: alsof alle religies op hetzelfde neerkomen. Hoe dit ook zij, het kalf is gegoten. Alsof dat kalf niets betekent, kondigt Aäron aan dat de volgende dag een feestdag voor de Eeuwige zal zijn. En een uitgelaten boel wordt het! Alleen, het wordt zeker geen feest voor de God van Israël, maar een feest ter ere van die nieuwe god, het stierkalf.

“Wie wat vindt heeft slecht gezocht.” Die regel van Kopland is op dit verhaal uit Exodus wel van toepassing. Het volk heeft toen Mozes afwezig bleef, hartstochtelijk naar god gezocht, ze zochten een nieuwe god ter vervanging van de Eeuwige. Maar ze hebben slecht gezocht, ze hebben in de verkeerde richting gezocht. De god die zij menen gevonden te hebben, blijkt namelijk allerminst in staat te zijn om hun diepste verlangens te vervullen. Deze god is niet een god die garant staat voor uittocht en bevrijding, een god die hen naar het Beloofde Land van vrede en recht kan voeren. Een religie of politieke ideologie die macht en potentie als hoogste goed aanbidt, kan namelijk onmogelijk tot een rechtvaardige samenleving leiden. Dat gold toen. Dat geldt natuurlijk nog altijd.
Zoeken en vinden: ook in ons eigen leven kan het voorkomen dat we menen – wellicht in onze wanhoop en twijfel – een ideaal gevonden te hebben dat in feite niet in staat blijkt te zijn om ons écht gelukkiger te maken. Zo’n verkeerd ideaal of zelfbeeld loslaten kan moeilijk zijn. In de kerk helpen we elkaar daar hopelijk bij, al is het maar door samen de Schrift te overwegen, Brood en Wijn met elkaar te delen.
Zoeken en vinden: ook in onze tijd kennen we leidslieden en spraakmakers die ons, burgers van dit land, idealen voorspiegelen, die als ze ten uitvoer zouden worden gebracht, ten koste van mensen zullen gaan. Extra link wordt het wanneer ons dergelijke idealen worden voorgehouden met een beroep op de ‘christelijke beschaving’ die wij zouden zijn. Of wanneer politici zich hierbij beroepen op de zogeheten ‘joods-christelijke traditie’. Dan is toch de vraag: wie aanbidden we eigenlijk als we deze idealen volgen? De God van Israël die ook de God van Jezus is of de god van macht, potentie en eigen volk eerst?

Zoeken en vinden, daarover gaat het vandaag in de lezingen. Maar het gaat ook over verloren zijn en weer gevonden worden. Het joodse volk had gezocht, maar ze hadden niet lang genoeg en niet goed genoeg gezocht. Ze meenden een richting gevonden te hebben, maar in feite was wat zij vonden waardeloos. Ze waren daarmee om zo te zeggen verloren, althans daar lijkt het wel op. De Eeuwige, zo hoorden we, beschouwt het volk vanwege de affaire met het gouden kalf immers niet langer als zijn volk. Hij heeft het tegen Mozes dan ook over ‘dat volk van jou’. De Eeuwige constateert dat zijn verbond met dit volk opgehouden heeft te bestaan. Dus zegt hij tot Mozes: “Houd mij niet tegen: mijn toorn zal hen verteren. Maar uit jou zal ik een groot volk laten voortkomen.” Het antwoord van Mozes toont diens grootheid. Mozes is een door en door integere leider. Het gaat hem niet om zichzelf, om eigen gewin of reputatie, maar om het welzijn van de mensen die aan zijn zorgen zijn toevertrouwd. Mozes hád natuurlijk wel verder kunnen gaan als enige drager van de belofte, maar zonder zijn volk voortgaan, nee, dat wil en dat kan hij niet. Mozes pleit dus bij de Eeuwige voor zijn volk. Hij herinnert de Eeuwige aan zijn eerdere beloften aan Abraham, Isaak en Jakob. Mozes wint het pleit, zo hoorden we. God verhoort zijn gebed. “Toen zag de Eeuwige ervan af zijn volk te treffen met het onheil waarmee hij gedreigd had.”

Verloren zijn en weer gevonden worden: het joodse volk leek verloren, maar werd weer gevonden. Het volk zocht zelf de Eeuwige niet, maar de Eeuwige zocht wél zijn volk, ondanks alles. Jezus zegt het vandaag in het evangelie zo: God is als een herder die koortsachtig het ene schaap gaat zoeken dat verloren is gelopen. Zonder dat ene schaap is de kudde voor God namelijk niet compleet. Dat schaap hoort er óók bij. Gelukkig maar voor ons: de kerk is er niet alleen voor rechtvaardigen, zij is er zeker ook voor zondaars. De farizeeën en schriftgeleerden aan wie Jezus deze parabel vertelde, dachten daar natuurlijk anders over. De farizeeën en schriftgeleerden van alle tijden – binnen en buiten de kerk – denken daar trouwens nog steeds anders over.
Evenzo, zegt Jezus ons in het evangelie, is God als die vrouw die haar huis binnenstebuiten keert om dat ene verloren dubbeltje te vinden. Ja, wanneer ze dat ene dubbeltje gevonden heeft, geeft deze arme vrouw – ze heeft in totaal maar tien dubbeltjes – zelfs een groot feest. Een absurd idee, want ze kan natuurlijk helemaal geen feest betalen. Maar dat is in deze parabel niet het punt waar het om draait. Jezus spreekt in het evangelie niet over aardse rekenkunde, maar over hemelse rekenkunde: Gods barmhartigheid is zonder maat.
De Schrift getuigt vandaag: De Eeuwige kan en wil niet anders dan ons zoeken. Het lied dat wij zo dadelijk zullen zingen, zegt het zo: “Voordat wij Hem (God) zoeken, zijn wij gezocht door Hem.” De vraag is: willen en durven wij dat wel aan, ons door God laten zoeken en vinden? Aan God, zusters en broeders, aan God zal het niet liggen!
Moge dat vandaag dan onze belijdenis zijn. Amen.