Overweging zondag 29 april door Jan van Hooydonk • Lezingen: 1 Johannes 3:18-24 en Johannes 15:1-8

Zusters en broeders,

 

Het evangelie neemt ons vandaag mee naar de zaal van het laatste avondmaal. “Ik ben de wijnstok, de ware”, zo zegt Jezus daar over zichzelf, in zijn afscheidsrede tot zijn leerlingen.

“Ik ben de ware wijnstok”, dat is het zevende en laatste van de zogeheten ‘Ik ben-woorden’ waarmee Jezus in het evangelie van Johannes over zichzelf spreekt. “Ik ben het brood des levens” was het eerste. Daarop volgden: “ik ben het licht der wereld”, “ik ben de deur van de schapen”, “ik ben de echte herder”, “ik ben de opstanding en het leven”, “ik ben de weg, de waarheid en het leven”. En dan vandaag dat zevende ‘ik ben-woord’: “Ik ben de wijnstok, de ware.” Zeven: het bijbelse getal van de volledigheid. Het alles samenvattende, alles omvattende, beslissende en definitieve woord, dát woord klinkt vandaag.

Jezus de wijnstok, zijn Vader de wijngaardenier, wij de ranken aan de wijnstok. Deze beelden zullen Jezus ’leerlingen en zijn eerste gemeente niet vreemd in de oren geklonken hebben. De Bijbel heeft immers iets met druiven, met wijn, met een wijngaard. Wanneer Noach na de zondvloed voet zet op het drooggevallen land, is het eerste wat hij doet, zo lezen we in het boek Genesis, een wijngaard planten – met een stekje dat nog afkomstig was uit de Hof van Eden, zegt een joodse legende. Verderop horen we hoe de verspieders die worden uitgezonden naar het Beloofde Land, terugkomen met een tros druiven. En ook hoe Mozes kort voor zijn dood vanaf een berg de hele aarde als een wijngaard aan zijn voeten ziet liggen.

De wijngaard is in de Schrift een beeld voor Gods beloofde land, voor zijn Koninkrijk, voor het goede leven voor allen. De wijngaard staat in de Schrift tegelijkertijd ook voor Israël, Gods oogappel, die geroepen is om als eerste onder de volken aan dit goede leven gestalte te geven. Wanneer Israël in zijn bestaan bedreigd wordt, bidt het dan ook tot de Eeuwige, met de woorden van de psalm die wij zojuist gezongen hebben (ps. 80): “God van de heerscharen, keer toch terug; zie neer uit de hemel en let op uw wijngaard. Bescherm wat uw eigen hand heeft geplant, het stekje dat Gij hebt gekweekt.”

Een stekje gekweekt door de Eeuwige: dat is Israël. De gemeente waarbinnen het evangelie naar Johannes ontstond, past dit beeld toe op Jezus. Ook hij is een stekje dat door God geplant is, zijn oogappel, die als geen ander de weg wijst naar het goede leven voor allen. Dit stekje groeit uit tot een wijnstok, tot dé wijnstok bij uitstek. Dat wil niet zeggen dat Jezus in de plaats komt van de wijngaard, het volk van God, maar wel is hij als wijnstok het levensbeginsel van deze wijngaard. Buiten hem om kan de wijngaard – en kunnen wij – niet bestaan.

 

Deze aarde en allen die daarop wonen, vormen samen Gods wijngaard, zo houdt de Schrift ons voor. En: allen zonder uitzondering zijn ranken van een en dezelfde wijnstok. Maar de praktijk van onze dagen is helaas anders. Denk maar aan het beleid van Nederland als het gaat om de toelating van vluchtelingen of de integratie van vreemdelingen. Van nieuwkomers wordt verwacht – of geëist – dat zij zich aanpassen aan wat dan heet ‘onze cultuur’, – politici spreken zelfs van aanpassing aan ‘onze joods-christelijke cultuur’. Zo scheppen we in onze samenleving een tegenstelling tussen gevestigden en nieuwkomers, tussen ‘wij’ en ‘zij’. In het licht van het evangelie vraag ik me dan toch af: Kán dat eigenlijk wel? En mág dat eigenlijk wel? Hoe mooi zou het zijn als Nederland zijn vreemdelingen- en integratiebeleid niet baseerde op een vermeende tegenstelling tussen ‘wij’ en ‘zij’ maar op het idee dat we als mensen, hoezeer we ook van elkaar verschillen, één zijn, verbonden met elkaar als kinderen van dezelfde God die de heer is van de wijngaard, verbonden ook met elkaar als wijnranken die geënt zijn op dezelfde wijnstok.

 

Verbondenheid, daarover gaat het dus in de lezingen van vandaag. God, Jezus, wij als zijn leerlingen: wij zijn met elkaar verbonden zoals de wijngaardenier, de wijnstok en de ranken met elkaar verbonden zijn. Wij zijn met elkaar verbonden door hetzelfde levenssap, het sap van de liefde. God liefhebben en de naaste als jezelf, die twee zijn één, luidt het bekende bijbelse dubbelgebod uit het boek Leviticus: God liefhebben en de naaste want, zo staat er letterlijk, ‘hij of zij – die naaste dus – is zoals jij’. De eerste Johannesbrief geeft dit dubbelgebod op eigen wijze weer – wij hoorden het: “Dit is zijn gebod: dat we geloven in de naam van zijn zoon Jezus Messias en elkaar liefhebben, zoals hij ons heeft opgedragen.”
‘Liefhebben’: dit woord staat in de Schrift voor: elkaar recht doen, rechtvaardige verhoudingen onder de mensen bewerken, vrede en gerechtigheid, sjaloom. “Kinderen, laten we elkaar liefhebben, niet met een woord van de tong, maar met een werk van waarheid”, zo spoort Johannes in zijn brief zijn gemeente aan – een gemeente waarvan we weten dat zij leed onder tegenstellingen en verdeeldheid.
Zoveel is voor Johannes wel duidelijk: liefde is een opdracht, vraagt om onze toewijding en inspanning. Het evangelie spreekt in dit verband van het ‘reinigen’, dat wil zeggen het snoeien, van de ranken. Het evangelie spreekt harde woorden. “Als iemand niet aan mij blijft, wordt hij weggeworpen als de rank die verdort, en men verzamelt ze, en werpt ze in het vuur, en ze verbranden”, zo hoorden we. Dat zijn harde woorden die, zo ben ik bang, gemakkelijk verkeerd verstaan kunnen worden. We begrijpen ze verkeerd, denk ik, wanneer we ze verstaan als een dreigement. Zo van: ‘als je niet zus of zo doet, zul je je straf niet ontgaan.’ Maar we kunnen deze woorden ook anders verstaan, als een weliswaar pijnlijke maar niettemin nuchtere vaststelling: wanneer wij, de ranken, niet met Jezus en zijn Vader verbonden blijven, zullen we simpelweg geen vrucht dragen, plaatsen we onszelf uiteindelijk buiten de gemeenschap en krijgen we geen deel aan het goede leven voor allen. Ja, wij moeten als volgelingen van Jezus inderdaad ‘ranken snoeien’, maar dan toch in de eerste plaats de ranken die wijzelf zijn! Niet de ranken dus die de anderen zijn. Dat is onze zaak niet; dat is een zaak tussen hen en God, de wijngaardenier.
Ik las afgelopen maand de prachtige biografie van een van de grootste spirituele geesten van de vorige eeuw. Ik heb over de Amerikaanse monnik, dichter en vredesactivist Thomas Merton. Hij verheldert voor mij waar het bij het liefhebben en bij het snoeien van de ranken om gaat. Merton schreef: “Het is onze taak om anderen lief te hebben, zonder nader te onderzoeken of ze dat wel of niet waard zijn. Dat gaat ons niets aan.Ons wordt gevraagd om lief te hebben en deze liefde zal zowel onszelf als onze naasten daartoe waardig maken, als dat al kan.”

 

‘Ik ben het brood des levens’ luidde het eerste ‘ik ben-woord’. “Ik ben de ware wijnstok” luidt vandaag het zevende en laatste ‘ik ben-woord’. Dit brood des levens en de vrucht van deze ware wijnstok ontvangen wij in deze viering. Het zijn de verbondstekenen van onze gemeenschap met de Eeuwige, de verbondstekenen ook van onze gemeenschap met Jezus en van onze gemeenschap met elkaar. Bidden wij dan nu dat onze liefde ons waardig mag maken om deze tekenen te ontvangen en ze met elkaar te delen. Amen.