Overweging Startzondag 3 september door Ruud Roefs

OCP Nijmegen – zondag 3 september 2017

 

Startzondag

 

Jesaja 6, 8-13; Marcus 7, 31-37

 

 

De vraag naar de toekomst, zoals in de eerste lezing opgeworpen door de profeet Jesaja, zou ik – in het kader van deze viering – willen toespitsen op de vraag naar de toekomst van de oecumene. Want dat willen we hier toch vooral zijn: een oecumenische gemeenschap. Een gemeenschap die ruimte wil bieden aan mensen van verschillende kerkelijke komaf – verschillend, maar gedreven door een en hetzelfde verlangen: het verlangen naar het ‘Rijk van God’: een wereld die zó menselijk is dat ze goddelijke trekken krijgt.

 

Echte oecumene – en dat is mijn diepste overtuiging – speelt zich niet af aan een door religieuze leiders en theologen beheerste onderhandelingstafel, waarbij men vaststelt, wie zich wel en wie zich niet in ‘het ware geloof’ mag verheugen. Echte oecumene houdt zich niet bezig met het trekken van grenzen en scheidslijnen, maar, integendeel, juist met het creëren van ruimte … Wat bedoel ik daarmee?

 

Voor een antwoord op deze vraag ga ik te rade bij de Spaanse priester-monnik Raimon Panikkar (1918-2010), zoon van een hindoe-vader en een katholieke moeder. De oecumene zat hem dus in het bloed. Letterlijk en figuurlijk. Vanaf het allereerste begin.

 

Panikkar vergelijkt het menselijk bestaan met een leven als in een toren, een toren met verschillende vensters. Ieder mens kijkt door een eigen venster – en heeft zo zijn eigen, beperkte kijk op de werkelijkheid daarbuiten. Wat hij ziet, is waar – maar slechts een klein deel van een immens veel groter geheel, dat – uiteindelijk – een mysterie voor hem blijft. Een prachtig beeld van wat godsdiensten zijn – of minstens zouden moeten zijn: een bescheiden en respectvol pogen, om woorden te geven aan wat uiteindelijk toch on-zegbaar is: het Mysterie, dat ons allen draagt, doordringt en omvat. Bescheiden omdat ons eigen venster een beperkt uitzicht biedt. Respectvol omdat het Mysterie, dat wij bij gebrek aan beter ‘God’ noemen, ons bevattingsvermogen oneindig te boven gaat – én omdat ook de ánder een eigen venster en daarmee een eigen uitzicht heeft.

 

Panikkar verzet zich nadrukkelijk tegen de neiging, ‘één waarheid boven alle andere waarheden te stellen …’ – een neiging, die hij betitelt als ‘een tijdbom onder de godsdiensten’ en een fundamentele bedreiging voor de wereldvrede: ‘Wanneer ik hard roep, dat mijn God de Absolute is, dan voelt de ander zich overdonderd en sluit hij zich af.’

 

Hij schrijft verder: ‘De neiging, om onze eigen waarheid te verabsoluteren tot de enige waarheid, lijkt vooral een westers fenomeen, dat voortkomt uit de neiging, alles in duidelijk omkaderde hokjes op te delen, om vervolgens zo’n hokje als de Waarheid te zien. [ … ] In het westen is deze scheidende manier van denken tot in het extreme doorgevoerd. Wat zijn we gek op classificeren.

We zijn er geniaal in geworden! We willen nu ook religies determineren, opdelen en in hokjes onderbrengen. We bestempelen elkaar tot moslim, hindoe, jood, christen. Maar na classificatie komt de clash. Leren elkaars taal te spreken, betekent in eerste instantie luisteren naar elkaar. Luisteren kan alleen, als ik sympathie voor je voel. Ik moet je liefhebben, vertrouwen, respecteren.

Ik moet bereid zijn, jouw wereldbeeld binnen te stappen – respectvol, niet als een veroveraar, bruut en arrogant … Een luisterende houding komt voort uit het besef, dat jij in je eentje niet alle antwoorden hebt. [ …] Je moet bereid zijn, de ander werkelijk te ontmoeten, met heel je wezen te omarmen.’

 

 

 

Met deze laatste zin maak ik de sprong naar Marcus – naar de evangelielezing van vandaag waarin verteld wordt, hoe Jezus een man geneest die doof is en bovendien gebrekkig spreekt. Een verhaal, dat wonderwel aansluit bij het gedachtengoed van Panikkar:

 

Ogenschijnlijk terloops deelt de evangelist ons mee, dat Jezus de omgeving van Tyrus verlaat en via Sidon naar het Meer van Galilea gaat, dwars door het gebied van Dekapolis. Een mededeling, die je voor kennisgeving zou kunnen aannemen, ware het niet, dat het hier gaat om niet-joods, om ‘heidens’ terrein. Bovendien is er ook nog eens sprake van een gigantische en volstrekt onnodige omweg. Als ik straks na de viering weer naar huis ga – een bescheiden ritje van Nijmegen naar Batenburg, dan ga ik toch ook niet via Maastricht en Den Bosch. En dat is nu precies wat er vandaag in het evangelie wél gebeurt.

 

Deze kunstgreep van de auteur [ … ] zal zeker niet op toeval berusten … We ontmoeten hier een Jezus, die – als de vrome jood, die hij is en blijft – welbewust grenzen verlegt. Of – in de ogen van anderen – grenzen overschrijdt. Immers, wat hier gebeurt – het is goed, dat te beseffen, is, binnen de context van die tijd, ongehoord: een jood, die een niet-jood op een respectvolle, liefdevolle wijze tegemoet treedt. Het zal hem later in het verhaal, zoals wij weten, in conflict brengen met de religieuze autoriteiten, de eerbiedwaardige hoeders van de Ene Waarheid. Met fatale gevolgen.

 

 

Opvallend is, hoe Jezus met de doofstomme omgaat. Hij neemt hem apart, weg van de menigte. Twee mensen, oog in oog. Een jood en een niet-jood. Maar vooral: twee mensen – twee mensen, die elkaar ontmoeten …

 

Wat Jezus vervolgens doet, is – binnen de context van die tijd – opnieuw ongehoord: hij raakt de ander aan – de ander, de heiden, de onreine vreemdeling. Jezus doorbreekt de (zogenaamd) ‘heilige grenzen’, die hem door de religieuze autoriteiten worden opgelegd. ‘Heilig’ is op dat moment alleen die ‘heiden’, dat wil zeggen: de mens in nood, die voor hem staat. Een mens, in wie God zelf een beroep op hem doet. Jezus denkt, om met ‘Loesje’ te spreken, niet in grenzen, hij denkt in mensen.

 

Het vervolg van het verhaal is merkwaardig – om niet te zeggen bizar. Jezus steekt de ander zijn vingers in de oren en bevochtigt met speeksel diens tong. Een gebaar, zo lees ík dat, van een mens, die – letterlijk – bereid is, bij de ander naar binnen te gaan, diens leefwereld te betreden, hem te erkennen in zijn mens-zijn en in zijn nood. Een houding, die – zo blijkt uit het vervolg – helend is. Tot heil strekt. De man wordt genezen en zodoende bevrijd uit zijn isolement.

 

Jezus’ optreden, zoveel maakt Marcus duidelijk, is revolutionair, grens-verleggend en baan-brekend. Het getuigt van een nieuwe tijd en een nieuwe wereld: het ‘Rijk van God’. Wars van de beperkende, vaak liefdeloze richtlijnen van de ‘officiële’ religieuze autoriteiten spreekt Jezus een nieuwe, ongekende, bevrijdende taal: Sta op! Een taal die ruimte schept: Ga open! Effata! Een woord dat met een zucht wordt uitgesproken. Dit is het werk van Gods geest. De taal, die ‘Liefde’ heet. Waar het Jezus uiteindelijk – en uitsluitend – om gaat, vat hij samen in de bekende woorden: ‘Bemin de Heer, uw God, en uw naaste als uzelf.’ (cfr. Mc. 12, 30-31) Wat hém voor ogen staat – de droom, het visioen van waaruit en waarvoor hij leeft, is het ‘Rijk van God’, een wereld, waarin een mens ten volle mens kan zijn – bevrijd van het etiket, dat hem of haar zo vaak wordt opgeplakt. Jezus blijft niet staan bij de buitenkant. Hij gaat bij de ander naar binnen. Hij kijkt met de ogen van God – en herkent in de ander zijn broeder of zuster. Een naaste. Kind van God, precies als hij.

 

De ander als mijn broeder of zuster. Ik moet ineens denken aan wat ik afgelopen zomer mee mocht maken, toen ik samen met mijn vader op familiebezoek in Canada was. Met enkele neven en nichten bezocht ik op een mooie avond het imposante Rogers Centre, het baseballstadion van Toronto waar de plaatselijke ploeg, de Blue Jays, uitkwam tegen de Los Angeles Angels. Vijftigduizend toeschouwers, een zee van licht en geluid, en toch een heel ontspannen atmosfeer. Wat me in het bijzonder opviel, was het feit dat de supporters van beide partijen niet middels hekken van elkaar werden gescheiden, maar gewoon naast elkaar zaten. Zo kan het blijkbaar ook. Regelmatig werd de wedstrijd onderbroken door reclameboodschappen en andersoortig vermaak. Iets wat heel snel went en weinig boeit. Totdat men aankwam bij het blokje ‘New Canadians’. Er werd met de camera ingezoomd op een jong gezin, ergens aan de overkant op de tribune: een vader, moeder en hun twee jonge dochters. Hun namen werden omgeroepen, het bleek te gaan om Syrische vluchtelingen die sinds een jaar in Canada woonden en inmiddels een verblijfsvergunning hadden ontvangen. Zij waren die avond de ‘guests of honour’. De stadionspeaker eindigde zijn verhaal met een nadrukkelijk en hartelijk ‘Welcome to Canada!’ Wat door het publiek met een donderend applaus werd bevestigd. U mag weten dat me dat diep ontroerde. En dat doet het nog steeds, telkens als ik eraan denk … Misschien dat wij daar, hier in Nederland, nog iets van leren kunnen. Wie zal het zeggen.

 

Welcome! Wel-gekomen! Zo te leven met en voor elkaar. Elkaar te her-kennen en er-kennen als broer en zus. Binnen en buiten dit gebouw. Wedden dat er zó toekomst is ..?!