Overweging OCP Nijmegen – zondag 21 mei 2017 Ruud Roefs

 

Openbaring 19, 6-16; Johannes 16, 23b-30

 

 

 

 

Vandaag richt ik mijn pijlen met name op de eerste lezing die we zojuist hebben beluisterd, een gedeelte uit de Apocalyps van Johannes. Het woord ‘apocalyps’ – afkomstig uit het Grieks – betekent zoveel als ‘onthulling’, ‘openbaring’. Oorspronkelijk had de Openbaring van Johannes geen titel. Het eerste woord van het boek, apokalypsis, alsmede het in de tekst aangegeven auteurschap van Johannes (1, 4) hebben tot de huidige titel geleid. Traditioneel gaat men ervan uit dat het boek geschreven is door de apostel Johannes, de zoon van Zebedeüs, maar het is heel goed mogelijk dat het om een andere Johannes gaat. Het taalgebruik in Openbaring verschilt immers nogal van dat in het evangelie, en bovendien ziet de auteur zichzelf als een profeet. Of gaat het misschien om een verder onbekende auteur die – niet ongebruikelijk in bijbelse kringen – zijn geschrift voorziet van de naam van een groot en aanzienlijk persoon om het wat extra gewicht te geven? Niemand die het met zekerheid zeggen kan.

 

Wat wél vaststaat, is dat Openbaring een uiterst merkwaardig geschrift is. Het berust op een aantal visioenen die de auteur krijgt op Patmos, een eiland op zo’n vijftig kilometer van de kust van het huidige Turkije. In zeven brieven richt de auteur van Openbaring zich tot evenzovele daar gevestigde christelijke gemeenten – de bekendste is die van Efese – waar hij als rondtrekkend profeet en predikant actief moet zijn geweest.

 

Patmos heeft het karakter van een strafkolonie. Johannes – laten we hem zo noemen – betitelt zijn situatie – evenals die van de zeven gemeenten – als ‘ellendig’ en vermeldt nadrukkelijk dat hij op Patmos terecht is gekomen omdat hij over God heeft gesproken en van Jezus heeft getuigd (1, 9). Desondanks laat Johannes zich niet het zwijgen opleggen. Ook op Patmos blijft hij trouw aan zijn roeping en stuurt hij zijn medegelovigen – die net als hij te lijden hebben onder tegenwerking en vervolging – brieven ter bemoediging. Waaronder dus het geschrift Openbaring.

 

In de vorm van talrijke visioenen tracht Johannes de zijnen te troosten en bemoedigen. Houd vol, zo houdt Johannes zijn lezers en toehoorders voor. Houd vol. Hoe ellendig de situatie ook zijn moge, uiteindelijk zal – durf daarop te vertrouwen – het goede overwinnen. Want God heeft het eerste en het laatste woord. Hij is de Alpha en de Omega. Gods gerechtigheid – waar jullie je zo voor inzetten en soms zelfs je leven geven – zal hoe dan ook zegevieren. In de taal van Openbaring: De draak en het beest (het kwaad) zullen worden vernietigd, het lam (Christus) zal zegevieren en God zal het nieuwe Jeruzalem (stad van vrede en gerechtigheid) uit de hemel doen neerdalen. God zal zijn mensen alle tranen uit hun ogen wissen. Er zal geen verdriet meer zijn, want al het oude is voorbij. Een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Recht en gerechtigheid voor allen. Deze wereld omgekeerd – de titel van een bekend lied van Huub Oosterhuis. Deze wereld omgekeerd. Dat is de toekomst die ons wacht.

 

 

Zijn woord wil deze wereld omgekeerd:
dat lachen zullen wij die wenen,
dat wonen zal wie hier geen woonplaats heeft,
dat dorst en honger zijn geleden.
Die onvruchtbaar bleef, zal vruchtbaar zijn,
die geen vader had, zal vader zijn;
mensen zullen and’re mensen zijn,
de bierkaai wordt een stad van vrede.

 

Huub Oosterhuis, Deze wereld omgekeerd

 

Deze wereld omgekeerd. Dat is de hoop waaruit je leven mag, zo houdt Johannes zijn medegelovigen voor. Toen en nu. Durf te geloven dat het komen zal. Deze wereld omgekeerd. Het Rijk van God. Dat rijk van vrede en gerechtigheid. Hoe dan ook. Durf te geloven – zelfs tegen de overmacht der feiten in … Iets van die hoop, meer nog: iets van het vertrouwen dat – uiteindelijk – ons diepste verlangen zal worden vervuld klinkt ook door in de woorden van Jezus uit de evangelielezing van vandaag: ‘… ik verzeker jullie: wat je de Vader ook vraagt in mijn naam – hij zal het je geven.’ (16, 23b). Niet voor niets heet deze zondag dan ook zondag Rogate: ‘Vraag(t)’.

 

Dat God het laatste woord heeft – die overtuiging blijft – betekent echter niet dat wij rustig en welgemoed, met de armen over elkaar, zouden kunnen afwachten tot het grote moment daar is. Het bijbels visioen – dus ook dat van Johannes – is een visioen met de poten stevig in de klei. Het verliest de aardse werkelijkheid niet uit het oog – integendeel zelfs. Het plaatst de bestaande wereld in een volkomen nieuw licht. Vooruitlopend op en gesterkt door de gedachte aan een volkomen nieuwe toekomst roept Johannes ons op ons – in het hier en nu – te verzetten tegen het kwaad en te kiezen voor de liefde. In daad en in woord. En dat is de profetische taak die ieder van ons wordt toevertrouwd – in het groot en (wat heet?) in het klein. Ons in te zetten – opnieuw: in daad en in woord – voor een wereld die zo in- en inmenselijk is dat zij goddelijke trekken krijgt. Naïef? Woorden van een dromer? Misschien. Maar dit weet ik wel: een mens die niet droomt en die blijft steken in cynisme – en zichzelf zo elke hoop op een nieuwe toekomst ontzegt – houdt op ten volle mens te zijn.

 

Zondag Rogate: ‘… ik verzeker jullie: wat je de Vader ook vraagt in mijn naam – hij zal het je geven.’ (16, 23b). Alles vragen aan – en alles verwachten van God. Heel je hoop gevestigd op Hem die het eerste en het laatste woord is. De Alpha en de Omega. Maar het Rijk van God is niet een zaak van God alleen. God en mens – dat is de kern van het bijbels avontuur – zijn bondgenoten. God doet zich kennen als Ik-zal-er-zijn. Een naam die een belofte is. Een dure eed. Een belofte, maar tevens een opdracht aan het adres van ieder van ons. Want zoals God er is voor ons, zo moeten ook wij er zijn voor elkaar. Ons sterk maken voor onze naasten. De kleinsten en zwaksten voorop.

 

Deze opdracht, deze roeping is profetisch van aard – en inherent aan ons geloof in de boodschap van Jezus Christus, getuige de woorden die Johannes in zijn visioen verneemt: ‘‘Ik ben een dienaar zoals jij en zoals je broeders en zusters die van Jezus getuigen …’ [ … ] getuigen van Jezus is profeteren.’ (16, 10b) Profeteren is spreken namens God – getuigen van zijn toekomst, in woord en daad. Een niet te onderschatten opdracht. En niet van risico ontbloot. Want het betekent dat je je stem verheft tegen alle vormen van onrecht, ongelijkheid en geweld. Wereldwijd en dichter bij huis. Het betekent dat je, zeker als geloofsgemeenschap, zorg draagt voor Gods droom. Dat je je – klein en kwetsbaar als je bent – sterk maakt voor een ander verhaal dan het verhaal dat steeds luider en nadrukkelijker klinkt van een geopolitieke apenrots waar een groeiende groep alfamannetjes (en – vrouwtjes) strijdt om de macht. Meedogenloos. En als het moet daarbij over lijken gaat. Profeteren betekent ook dat je je stem verheft tegen hen die met een beroep op ‘vrijheid’, of wat daarvoor doorgaat, anderen hun vrijheid ontzeggen. Profeteren is ook – en niet in de laatste plaats – zoeken naar een taal die verbindt. Dit in tegenstelling tot al die vormen van taal die onze samenleving dreigen te ontwrichten en vergiftigen. U weet wel: alternatieve feiten – eigen volk eerst. Giftige en dodelijke taal. Levensbedreigende woorden die – als we niet op onze hoede zijn, we kennen toch onze geschiedenis – een proces in gang zetten dat straks niet meer beheersbaar is en volkomen uit de hand loopt. Woorden zijn immers nooit ‘zomaar’ woorden. Eens gesproken doen ze hun werk. Ten goede of ten kwade.

 

Laten we goede woorden spreken. Woorden ten goede. Binnen onze kerk en straks daarbuiten. En zo bijdragen aan de komst van Gods Rijk. Deze wereld omgekeerd.

 

Dat het zo zijn moge. Amen.