Overweging gehouden op 1 oktober 2017 OCP, Stevenskerk                Paul Oosterhoff

Overweging gehouden op 1 oktober 2017 OCP, Stevenskerk                Paul Oosterhoff

 

Lezingen: Daniel 9 : 14-19 en Lukas 7 : 11-16

 

“Welbewust bracht de HEER onheil over ons, want we hebben niet naar hem geluisterd”. Zo begint de lezing van vandaag uit Daniel 9.

Ik weet niet hoe het u daarbij vergaat, maar bij mij krommen de tenen als ik dat lees of hoor.

Een God die doelbewust onheil brengt over zijn volk om het daarmee tot gehoorzaamheid te dwingen, dat staat veraf van mijn Godsbeeld.

Een paar verzen verder lezen we : “Niet omdat wij rechtvaardig zouden hebben gehandeld, leggen we onze smeekbeden, over de redding van het volk en de stad, aan u voor, maar omdat uw barmhartigheid groot is.” In sommige orthodox protestantse kringen is het gebruik om een, meestal lang, gebed met vele verzoeken aan God om hulp (bijvoorbeeld aan het begin van een vergadering) te beëindigen met de zinsnede: ‘Wij vragen u dit, niet omdat we het verdiend zouden hebben, maar alleen uit genade om uwentwil’. Ik snap de intentie wel, maar ik zou het zelf zo niet zeggen.

Maar misschien herkent u dit slotzinnetje van gebeden niet, omdat u niet zo vaak in orthodox protestantse kring vertoeft (ik ook niet meer zo vaak, overigens). Ik geef u een ander voorbeeld uit de nog op veel plaatsten gepraktiseerde klassieke rooms katholieke liturgie.

Vlak voor het ter communie gaan klonk en klinkt in vele kerken (en ik ben blij dat we dat hier in het Oecumenisch City Pastoraat niet hebben overgenomen, maar velen van u, daar ben ik van overtuigd, kunnen het zo nog opzeggen): “HEER ik ben niet waardig dat gij tot mij komt, maar spreek slechts één woord en ik zal gezond worden”

 

Wat is nu mijn moeite daarmee? Kijk, dat er van Godswege het woord moet klinken, willen wij mensen tot ons recht komen, terechtkomen, dat is me uit het hart gegrepen. Wij mensen hebben het niet helemaal uit ons zelf, we zijn niet zelfvoorzienend. Om iets te bereiken moeten we in verbinding staan met niet alleen andere mensen, maar ook met verbanden en krachten die ons te boven gaan; ik noem het graag God of het goddelijke of de Hemel. Maar dat betekent toch nog niet dat we niet waardig zijn, dat we er zelf niet toe zouden doen.

Ik ben niet waardig…. Ik verzet me daartegen, vooral ook omdat ik er te veel slaafsheid in de geschiedenis van de kerk uit voort heb zien komen. Want hoe makkelijk staat niet tegenover de slaafsheid van het volk, het machtsmisbruik van de clerus, en daar zien we te veel voorbeelden van in het recente verleden, maar – God betere het – ook nog soms in de praktijk van vandaag de dag.

Voel ik me dan zo groot, zo waardig. O nee, ik ken zeker ook mijn momenten dat ik me nietig voel tegenover de overmacht van het kwaad in mijzelf en in de wereld om mij heen. De momenten waarop je vanuit je binnenste wil roepen: Heer spreek slechts één woord…!!

Maar het is, geloof ik, het massale, de constante herhaling in de liturgie of in het gebed, van dat zogenaamde niet waardig-zijn, waar ik tegen protesteer.

 

Gisteren vierden de joden hun Jom Kipoer, hun grote verzoendag. De eerste dagen van hun nieuwe jaar houden de joden een soort grote schoonmaak. Ze proberen op te ruimen wat er is misgegaan in hun leven, in de verhouding met hun medemens en met God, en die dagen monden uit in de Grote verzoendag, met in de woestijn het ritueel van de zondebok, die symbolisch, beladen met de zonden van het gehele volk, de woestijn in werd gejaagd.

Een moment in het jaar waarop je collectief voor God en voor elkaar, je tekort uitspreekt en beleeft, niet om bij die pakken neer te gaan zitten, maar om daarvan uit weer op te staan, uit die dood en opnieuw te leven naar Gods bedoelingen. De joden hoeven dan ook na Grote verzoendag niet lang te wachten voordat ze hun uitbundige feest van de Vreugde der Wet kunnen gaan vieren.

Te vaak, te veel bezig zijn met schuldbelijdenis en zondebesef maakt klein en nietig. Er niet meer mee bezig zijn maakt hoogmoedig, megalomaan en losgeslagen van de werkelijkheid. En ook daarvan hebben we recentelijk veel voorbeelden gezien. Een goede balans is voor ieder misschien anders, maar het is van groot belang hierin een goede balans te vinden.

 

In het leven van de weduwe die Jezus tegenkomt bij Nain is de balans totaal verloren gegaan. Zij komt in rouwstoet de stad uit om haar enige zoon, haar toekomst te begraven. Ze is haar verleden al kwijt geraakt en is weduwe geworden en daarmee in het leven van toen ook al haar houvast in het leven, emotioneel maar ook economisch, kwijtgeraakt, maar nu is ook haar zoon gestorven, haar toekomst – emotioneel, maar ook economisch – is haar ontvallen. Het verhaal is bekend: Jezus houdt de rouwstoet staande, reikt de jongeling de hand en die hervindt het leven en Jezus geeft hem terug aan de weduwe. Haar toekomst opnieuw tot leven gewekt.

 

Wat kunnen we nu met zo’n verhaal, ook vandaag de dag. Met het letterlijke opnieuw tot leven wekken van iemand die is overleden, kan ik niet zoveel. Ik weet niet wat er toen gebeurd is, maar ik weet wel dat we dat nu niet moeten willen.

Symbolisch kan ik er een heleboel mee. Zoals je duizend doden kunt sterven is er ook heel veel dood waaruit je zou kunnen opstaan. In de Lukas vertelling komt deze ontmoeting met de weduwe van Nain direct na het verhaal van de Romeinse hoofdman, die bij Jezus kwam om te vragen om de genezing van zijn slaaf. Inderdaad, de romeinse centurio die zei: “Heer ik ben niet waard dat gij onder mijn dak komt. U hoeft maar te spreken en mijn knecht zal genezen zijn.” Wat Jezus er dan weer toe bracht om tegen het volk te zeggen: “Zo’n groot geloofd heb ik in heel Israël nog niet gevonden”. En dan komt Jezus die joodse weduwe tegen, die bezig is haar toekomst te begraven. Jezus houdt het tegen en keert het voor haar ten goede.

Dat is wat Jezus voor ogen heeft gestaan: om de toekomst van het joodse volk, om de toekomst van het geloven, opnieuw tot leven te wekken.

 

Zo zou je, in de weduwe van Nain, ook de christelijke kerk kunnen zien, die veel van haar verleden heeft zien weg vallen en als een weduwe, kwetsbaar en onzeker, staat in de maatschappij. Maar die in al haar treuren om wat geweest is en angstvallig proberen vast te houden aan hoe het ooit was, nu bezig is om ook haar toekomst, haar jeugd, ten grave te dragen. De rouwstoet van de kerk. Jezus stopt dat en wekt tot leven. Jezus geeft de Geest terug aan de kerk, zodat deze weer toekomst heeft.

Aan ons om dat waar te maken!!

 

Maar misschien ziet u in dit verhaal, op dit moment in uw leven, wel een hele andere betekenis. Een mens kan tenslotte duizend doden sterven, dus er zijn ook vele rouwstoeten waarin we kunnen verkeren.

Jezus roept het een halt toe! Hij reikt de hand en spreekt slechts één woord: “Mens, ik zeg u, Sta op!”

En hij wekt tot leven.

 

Laat dat ons gebed zijn: Verlos ons uit de rouwstoet waarin we als kerk, of als mens zijn verzeild geraakt en HEER, geef ons onze toekomst weer!!