Overweging 22 oktober Ruud Roefs

Oecumenisch City Pastoraat Nijmegen – zondag 22 oktober 2017

 

Overweging bij Matteüs 9, 1-8

 

Het verhaal van een lamme. Een mens die, aan zijn bed gekluisterd, door mensen – familie, vrienden, buren? – gedragen wordt. Tot hij aan Jezus’ voeten ligt. Op hoop van zegen.

Bij de voorbereiding op deze overweging ging mijn aandacht vooral uit naar die ene zinsnede: ‘Bij het zien van hun geloof …’ (9, 2b) Jezus wordt getroffen door het tafereel dat zich voor zijn ogen ontvouwt: mensen die – in hun verlangen een kwetsbare medemens van dienst te zijn – in beweging komen. Uitgroeien tot ‘dragende krachten’. Daarbij kracht en hoop puttend uit hun vertrouwen in die merkwaardige man uit Nazareth. Uit wat ze ongetwijfeld van hem zullen hebben gehoord. Die man die – bij het zien van hun geloof – op zijn beurt eveneens in beweging komt. Het is met andere woorden het geloof, het vertrouwen van deze ‘dragende krachten’, dat ten grondslag ligt aan het vervolg van het verhaal. Geloof. Vertrouwen. Goed, maar waarin dan? Of in wie?

Allereerst – zoals reeds gezegd – gaat het om geloof in Jezus. Op hem hebben ze al hun hoop en vertrouwen gevestigd. Als ergens perspectief, als ergens toekomst is, dan toch hier. Opvallend is overigens wel, dat de auteur elders in zijn evangelie (13, 54-58) melding maakt van het feit, dat Jezus – als hij in zijn eigen vaderstad door verwanten en huisgenoten wordt afgewezen – tot weinig of niets in staat is. Een heel menselijk gegeven. Afwijzing heeft een verlammend effect. Iemand, die zich niet gedragen weet – wie van ons kent dat niet? – is ook zelf niet of nauwelijks tot dragen in staat. Zelfs niet een mens die Zoon van God heet te zijn.

Maar het gaat – zo meen ik – niet alleen om vertrouwen in Jezus. De dragers geloven toch minstens ook in zichzelf. In hun missie. Het zijn mensen, die ergens voor staan. Die doen wat hun hart hen ingeeft. Ook al kost het misschien de nodige moeite het doel te bereiken: ‘Daar probeerden een paar mensen een verlamde bij hem te brengen …’ (9, 2) Het staat er, dunkt me – hoe onopvallend ook, niet voor niets. Ze proberen het. Blijkbaar zijn er de nodige hindernissen te overwinnen. Het vraagt even wat ellebogenwerk, het is wrikken en duwen, maar… ze komen er.

Overigens, ook Marcus kent het verhaal van de genezing van de lamme. Met dit verschil dat bij Marcus de dragers (bij hem zijn het er vier) veel meer op de voorgrond treden. U kent het verhaal. Vanwege de mensenmassa voor het huis waarin Jezus zich ophoudt klimmen de dragers met baar en al naar boven en maken een opening in het dak. Om vervolgens de lamme te laten zakken. Ze laten zich niet afschrikken door de menigte voor het huis. Ze weten wat ze willen. En ze zullen er komen. Desnoods via een omweg. Als de toegang wordt versperd, creëren ze zelf wel een opening. Het zijn echte doorzetters. Mensen, die – letterlijk en figuurlijk – niet voor één gat te vangen zijn. En met zulke vrienden mag je je gezegend weten. Gezegend en gedragen.

Terug naar die ene zinsnede: ‘Bij het zien van hun geloof …’ Het gaat in elk geval om het geloof van de dragers. Zoveel is zeker. Maar die lamme dan? Het verhaal vermeldt niet expliciet dat hij het geloof, het vertrouwen van zijn vrienden deelt. Maar het feit dat dezen alle mogelijke moeite doen om hun vriend tot bij Jezus te brengen, maakt duidelijk dat zij niet alleen in Jezus en zichzelf geloven, maar ook in de levenskracht van hem die ze – God weet hoe lang al – met zich meedragen. Wie weet smeult er nog een laatste restje vuur onder de as … Kan zijn verlamming worden opgeheven. Is er beweging, is er toekomst mogelijk. Geloof, vertrouwen van een mens is – zo blijkt uit het verhaal – van doorslaggevend belang. Maar ook het vertrouwen in een mens mag niet worden vergeten. Hoe klein en broos die mens ook zijn mag.

 

De naam van de lamme wordt overigens niet vermeld. Betekent dit dat het hier simpelweg gaat om een van die talloos velen die door Jezus worden genezen – of heeft de evangelist wellicht iets anders op het oog? Niets is zeker, maar het feit dat de lamme anoniem voor het voetlicht wordt gebracht maakt het mogelijk het vertelde ook op ons eigen leven toe te passen.

 

Ieder van ons kan ten prooi vallen aan verlamming. Niet alleen in lichamelijke, maar ook in geestelijke zin. Je belandt in het ziekenhuis – en angst, spanning, verdriet en opstandigheid verlammen je: ‘Waarom ik?’ ‘Kunnen ze nog iets voor me doen ..?’ Of je bent het slachtoffer van een laag zelfbeeld. Je vindt jezelf niet de moeite waard. Een mislukkeling. De ander doet het altijd beter. En zo val je ten prooi aan angst, aan een verlammende onzekerheid die je de keel dichtknijpt en die je uiteindelijk het zwijgen oplegt: ‘Ach, laat ook maar. Mijn mening doet er toch niet toe …’

 

Ook mijn verleden kan een bron van verlamming zijn. Ik denk aan fouten van ooit waaraan ik blijvend door anderen herinnerd word: ‘Had je van hem dan iets anders verwacht? Eens een dief, altijd een dief.’ Maar ik denk evengoed aan die fouten en tekortkomingen waarmee ik mezelf onophoudelijk en onbarmhartig om de oren kan slaan: ‘Gedane zaken nemen geen keer. ‘ Of: ‘Dat kan ik toch niet.’ Als ik zulke woorden maar vaak genoeg te horen krijg – of mezelf blijf inprenten, is het gevaar groot dat ik het nog ga geloven ook. Om er uiteindelijk naar te leven. Als je zoiets tenminste nog ‘leven’ noemen mag. Vastgepind op het kruishout van je verleden kun je geen kant meer op. Ben je als verlamd. En dat is zonde van je leven. Dood-zonde.

‘Zonde’, ook zo’n woord dat bleef hangen, toen ik bezig was met de voorbereiding van deze overweging. ‘Wees gerust’, zo zegt Jezus tot de lamme, ‘uw zonden worden u vergeven.’ (9, 2b) Een uitspraak die in de context van die tijd dient te worden verstaan. Lichamelijk lijden, zo meende men, was het gevolg van begane zonden – werk van de duivel, een straf van God.

 

In onze tijd en cultuur is deze manier van denken goeddeels verdwenen, al hoor je mensen nog wel eens verzuchten: ‘Mijn God, waar heb ik dit aan verdiend ..?’ Zo’n uitspraak is meestal niet letterlijk bedoeld. Ze lijkt me eerder een uiting van wanhoop, verdriet of frustratie. Maar dat neemt niet weg dat velen, ook ‘christelijk’ opgevoede mensen, falen, eenzaamheid en gevoelens van onvervuldheid niet zelden beleven als een ‘vloek’, als een ‘straf’: ‘Zie je, dat komt er nu van. Je hebt het er zelf naar gemaakt. Je verdiende loon.’ Soms, misschien wel vaker dan we menen, zijn mensen van nu toch niet zo heel veel anders dan mensen van toen.

 

Het kan een mensenleven ver-zieken, zo’n overtrokken en oneigenlijk zondenbesef dat mij – als een slangenbeet – vergiftigt en verlamt. Het zal geen toeval zijn dat in de latere joodse traditie, tot in Jezus’ tijd, de slang in het paradijs ‘satan’ genoemd wordt, ‘aanklager’. Deze aanklager beschuldigt mensen zo meedogenloos – soms door dat venijnige stemmetje in ons hart – dat ze zichzelf gaan wantrouwen en tenslotte elk zelfrespect verliezen. En dan gebeurt juist waar mensen zo bang voor zijn. Ze verlammen. Ze vallen stil. Als levende doden.

 

Het evangelie van vandaag mogen we lezen als een verwoording van de gelovige overtuiging dat deze dodelijke verlamming niet het laatste woord heeft. Ik leid dat af uit de woorden van Jezus tot de lamme: ‘Sta op, pak uw bed en ga naar huis.’ (9, 6b) ‘Sta op …’ Als je de tekst leest in het Grieks, de oorspronkelijke taal van het Nieuwe Testament, kom je tot de ontdekking dat hier exact hetzelfde werkwoord gebruikt wordt als straks – aan het slot, bij de opstanding, de verrijzenis. En dat zal geen toeval zijn.

 

‘Sta op …’ Woorden die we lezen mogen als een bemoedigende oproep ons niet neer te leggen bij de zogenaamde ‘feiten’, niet de slaaf te blijven van ons verleden en eens gemaakte fouten, maar – hier en nu – ‘op te staan’ uit elke situatie van ‘dood bij het leven’. ‘Pak uw bed …’ – maak je los van wat je verlamt – ‘en ga naar huis’: kom (opnieuw) thuis bij jezelf, word de mens die God zichzelf gedroomd heeft en lééf! Leef – eindelijk en ten volle! Want daartoe ben je geroepen.

 

 

 

 

 

Het evangelie van vandaag staat in het teken van bevrijding. Bevrijding van al wat ons verlamt. Van al wat ons neerdrukt op het bed van onze kleinmenselijke gebrokenheid en tekortkomingen. Bevrijding. Omdat we [ … ] mogen leven in het besef dat bij God vergeving is. En daarmee ruimte voor een nieuw begin. Overal en altijd.

 

Deze overtuiging behoort tot de kern van de Blijde Boodschap. Een overtuiging waaruit we kracht kunnen putten die ons in staat stelt elke vorm van verlamming te overwinnen … Die ons uitzicht biedt op volheid van leven.

Toch is dat laatste – hoe prachtig de boodschap ook is – niet altijd even eenvoudig. Zeker niet, als je het gevoel hebt dat je heel vaak alles alleen te dragen hebt – of wanneer je telkens opnieuw tegen je eigen lichamelijke en geestelijke grenzen aanloopt. Daarom wens ik ieder van ons toe dat we ervaren mogen – zoals ik dat ook zelf op de ‘dode punten’ in mijn eigen leven ervaren mocht – dat wij ons, telkens als dat nodig is, gedragen mogen weten door mensen die oprecht en van harte met ons begaan zijn. Die in ons geloven als we het zelf niet meer zien. Mensen in wie iets van Gods liefdevolle Aanwezigheid aan het licht komt. Gods Aanwezigheid die ons opricht en voorkomt dat we ten prooi vallen aan eigen zwaartekracht. Die ons optilt – boven onszelf uit. Opdat we leven mogen.

 

Dat het zo zijn moge. Amen.