Overweging 19 september 2018

Jan van Hooydonk, Oecumenisch Citypastoraat, Nijmegen,

19 september 2018, ‘Alles kan voor wie vertrouwen heeft’, (Jesaja 45, 18-25, Marcus 9,14-29).

 

Zusters en broeders,
Jezus gaat samen met drie van zijn leerlingen, Petrus, Jacobus en Johannes, de berg op, alsmaar hoger en hoger. Mozes en Elia voegen zich op de top van de berg bij hen. Een donkere wolk overdekt hen en dan klinkt vanuit de duisternis een stem. “Dit is mijn eigen lieve zoon. Luister naar hem.” Dit verhaal gaat in het evangelie van Marcus vooraf aan de passage die wij zojuist hoorden.
Het verhaal over de verheerlijking op de berg is een intiem verhaal, een heel sereen verhaal dat vol van stilte is.
Hoe anders gaat het er dan aan toe, wanneer Jezus eenmaal van de berg is afgedaald: reuring in de tent! De leerlingen die beneden zijn gebleven, zijn daar in een heftig debat verwikkeld geraakt met de schriftgeleerden. Waarover gaat hun debat? Oninteressante theologische discussies wellicht? De evangelist vertelt ons niet waarover de leerlingen en de schriftgeleerden aan het redetwisten waren, maar het zou zo maar kunnen. Uiteindelijk oninteressante en niet-relevante discussies – de kerk en de wereld waren en zijn er immers nog altijd vol van. Geestelijke en politieke leidslieden die alle aandacht opeisen en het hoogste woord voeren, maar die geen antwoord hebben op de werkelijke problemen en noden van hun medemensen. Het eindeloze geredeneer over wie wel en wie niet in ons land mag blijven of over wie wel of niet ter communie mag. De eindeloze praatprogramma’s op de televisie waarin men elkaar vliegen afvangt en wedijvert wie als leukste overkomt.
De evangelist vertelt ons dus niet waarover de opgewonden discussie tussen de leerlingen en de theologen ging. Jezus vraagt er hen nog naar, maar opvallend genoeg krijgt ook hij geen antwoord. Niet belangrijk! zegt het evangelie. Begeef je niet in het oeverloze gepraat van zogeheten leiders en deskundigen, maar luister liever naar de noodkreet van mensen in verdrukking, naar hun roep om hulp en gerechtigheid.

Een noodkreet van een vader onderbreekt vandaag in het evangelie het vruchteloze gepraat. Zijn zoon is met stomheid geslagen; met schuim om zijn mond ligt hij verstijfd op de grond. Slachtoffer van kwade geesten, zegt het evangelie. Epilepsie zeggen wij nu. De wanhopige vader smeekt Jezus om genezing van zijn zieke kind. “Als u er iets aan kunt doen, helpt u ons dan, heb medelijden met ons.”
Jezus gaat de confrontatie met de kwade geest aan. “Jij dove en stomme geest, ík, Jezus, beveel je: kom eruit, uit die jongen”, snauwt hij de kwade geest toe. De geest blaast de aftocht, maar de jongen ligt er nog bij als een lijk. Totdat Jezus hem bij de hand pakt en zie, die jongen staat op!
Jezus drijft de kwade geest uit. Voor de evangelist Marcus is dit een teken van het rijk van God dat zich in Jezus baan breekt. Bevestiging van de godsspraak die wij hoorden in de eerste lezing uit de profeet Jesaja: Niet in de chaos is God, de Enige van Israël, te vinden, maar in een bewoonbare aarde, in waarachtigheid en gerechtigheid.
Prachtig natuurlijk, dit verhaal over genezing en opstanding. Een verhaal dat niet alleen de betekenis van Jezus voor ons duidelijk maakt, maar dat ons ook aanspoort om niet in oeverloos gepraat te blijven steken. Een verhaal dat ons uitnodigt om daadwerkelijk kwade geesten uit onze wereld en ons bestaan uit te drijven, om elkaar bij de hand te nemen en zo te laten opstaan tot leven.

Máár, zusters en broeders, dit verhaal gaat niet alleen – en wellicht zelfs niet op de eerste plaats – over de macht van Jezus die mensen geneest en doet opstaan. Het gaat vooral óók over de onmacht van de leerlingen. Jezus geneest de jongen, maar zijn leerlingen waren daartoe niet in staat, zo vertelt de vader. Jezus en zijn leerlingen staan in dit verhaal dus tegenover elkaar. Dat is de ene tegenstelling in het verhaal. De andere tegenstelling – die met de vorige samenhangt – is de tegenstelling tussen Jezus en de vader in het verhaal aan de ene kant en de leerlingen aan de andere kant. Wat Jezus en de vader met elkaar verbindt, is dat zij, zo zegt het evangelie, ‘geloof’ hebben. En precies dat missen de leerlingen volgens het evangelie: ‘geloof’.
Wat betekent dat eigenlijk, ‘geloof hebben’? Wat zeg je eigenlijk als je zegt dat je ‘gelooft’? Gelovig zijn betekent bijbels gesproken niet dat je andere of meer dingen weet dan je medemensen die ‘ongelovig’ worden genoemd. Maar wél betekent dit dat je ‘vertrouwen’ hebt, dat je vertrouwvol in het leven staat, dat je het leven zoals zich dat aandient, ten diepste in vertrouwen ontvangt. Geloven is bijbels gesproken dus niet een kwestie van weten, maar een levenshouding. ‘Geloof’ staat voor vertrouwen en ontvankelijkheid voor de ander, ‘ongeloof’ voor gebrek aan vertrouwen en gerichtheid op jezelf. Wie gelooft, vertrouwt tegen alle wantrouwen in. Daarom kan Jezus zeggen: “Alles kan voor wie gelooft.” Dat betekent: “Alles kan voor wie vertrouwen heeft.” (Wie zonder vertrouwen leeft, komt letterlijk nergens). “Ik geloof! Help mijn ongeloof”, reageert de vader. Wat hij zegt, is: “Ik heb vertrouwen! Laat me niet staan in mijn aarzelend groeiende vertrouwen.”
Waarom konden de leerlingen anders dan Jezus de boze geest niet uitdrijven? Omdat Jezus geloofde, maar de leerlingen geloof misten, zegt de evangelist. Ze vertrouwden niet echt. Ja, misschien vertrouwden ze zichzelf wel – te veel waarschijnlijk! -, maar ze vertrouwden anderen niet, ze vertrouwden het leven niet, ze vertrouwden de werkelijkheid niet. En bovenal, anders dan Jezus vertrouwden de leerlingen niet echt op God.

Het slot van het evangelie is pijnlijk, voor de leerlingen welteverstaan. “Waarom konden wij die kwade geest niet uitdrijven?”, vragen zij aan Jezus. Diens antwoord luidt: “Dit soort is er door niets uit te krijgen, alleen door gebed.” Dat misten de leerlingen dus, ‘het gebed’. Maar waarom kunnen kwade geesten ‘alleen door gebed’ uitgedreven worden? Het antwoord op die vraag lijkt me te zijn: omdat datgene wat wij bidden noemen, ten diepste een ‘oefening in vertrouwen’ is. Wanneer wij bidden, leggen wij ons ego af en vertrouwen wij ons toe aan wie of wat ons overstijgt. We bidden – zo zei ooit de Duitse theologe Dorothee Sölle – nietin de eerste plaats opdat de wéreld door ons toedoen zou veranderen maar we bidden opdat de wereld óns niet verandert, onze ziel niet in haar greep krijgt. Wie bidt, onttrekt zich aan de oeverloze discussies die onze wereld eigen zijn en plaatst haar of zijn bestaan in een nieuw perspectief. Wie bidt, kiest voor vertrouwen, leeft en handelt vanuit vertrouwen in de komst van het Koninkrijk van God.

“Alles kan voor wie vertrouwen heeft”, zegt Jezus. Maar wellicht is dat voor ons nog te hoog gegrepen – eerlijk gezegd: voor mij is dat erg hoog gegrepen. Ik herken me eerder in wat de vader zegt: “Ik heb vertrouwen! Laat me niet staan in mijn aarzelend groeiende vertrouwen.”
In dit uur, zusters en broeders, oefenen we ons in dit vertrouwen. Het delen met elkaar van het Brood en de Beker, is een daad van vertrouwen. Vertrouwen in elkaar, vertrouwen in de kracht van het goede, vertrouwen in de komst van het Koninkrijk van God – kome wat komt. Moge dat vertrouwen in ons midden groeien.

Amen.