Het Oecumenisch CityPastoraat (OCP) ontstond in 1974. De Stevenskerk was gerestaureerd en onder leiding van ds. Colijn, toen diaconaal predikant, kwamen de diensten op gang, ondersteund door de Hervormde kerk, de Katholieke kerk (bisdom en decanaat) en de Gereformeerde kerk. In 1976 werd de Karmeliet Ton Deenen benoemd, die later ook Deken werd binnen het Dekanaat van de Katholieke kerk Nijmegen. Vanaf die tijd krijgt het OCP meer en meer vorm. In 1994, na sluiting van het Albertinum, het klooster van de Dominicanen in Nijmegen, komen verscheidene geestelijken en kerkgangers naar het OCP om daar hun inbreng te leveren. Ton Nuij, Benedictijn, was lange tijd de oudste voorganger in het OCP. Na zijn terugkeer uit Nicaragua ging hij regelmatig voor. In 2011 is hij overleden.

Ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan in 1999 gaf het OCP een bundel artikelen en interviews uit onder de titel ‘Kerk op weg naar morgen. 25 jaar Oecumenisch Citypastoraat Nijmegen’. De oprichter van het OCP, ds. Ko Colijn schetste hierin de geschiedenis en achtergrond van het OCP. Lees hieronder het volledige artikel.

HET IS EN BLIJFT EEN VERVOLGVERHAAL

DOOR DS. J. COLIJN (1916–2003)

In februari 1944 werd de binnenstad van Nijmegen getroffen door een zwaar bombardement. De Amerikanen moeten de grens met Duitsland niet goed onderkend hebben en zagen Nijmegen voor een Duitse stad aan. Dat was een ramp van grote omvang, waarbij zeer veel slachtoffers vielen en de binnenstad in een puinhoop werd veranderd. De Grote of Sint-Stevenskerk werd zwaar getroffen, de toren werd gehalveerd en de kerk voor een groot deel verwoest. In 1953 was de toren hersteld en in september 1969 werd de restauratie van de kerk voltooid.
Inmiddels was tussen het begin van de oorlog en het herstel van de kerk het stadsbeeld duidelijk veranderd. De binnenstad was herbouwd. In de buitenwijken waren nieuwe stadsdelen ontstaan en nieuwe kerken. In het centrum van de stad stond die prachtige kerk, schitterend gerenoveerd, klaar voor gebruik, temidden van de vernieuwde winkelstraten. Een eigenlijke parochie heeft de Stevenskerk echter nooit gekend; altijd is zij aangehaakt geweest aan een van de andere kerkwijken. De kerk was eigendom van de Nederlandse Hervormde gemeente. Een kerk uit de dertiende eeuw, na vele gedaanteveranderingen in een lange, bewogen kerkgeschiedenis geworden tot een vertrouwd beeld in de stad.

Vijftig plaatsen

De vraag waarvoor de kerkgemeente stond was eenvoudig te stellen, maar moeilijk te beantwoorden. In het begin van de jaren zeventig werd er landelijk veel gepraat over de bestemming van grote kerken die hun eigenlijke functie niet meer konden vervullen. Men dacht aan ruimte voor concerten, koormanifestaties, tentoonstellingen, congressen. De grenzen van de mogelijkheden werden angstvallig afgetast. Zwaar ook woog in die jaren de gedachte: een kerk is een kerk en daarom nauwelijks voor een ander doel geschikt. De Stevens moest dus een kerk blijven.
De Katholieke Universiteit, toen nog niet in het bezit van een ruime aula, deed een beroep op het kerkbestuur en werd openhartig ontvangen bij universitaire, grote samenkomsten. Maar verder bleef de kerk een gebouw met twee prachtige kapellen en uiteraard de indrukwekkende ruimte zelf. De zondagse kerkdiensten werden voortgezet als was er geen oorlog geweest.
Maar de kerk die ruimte bood aan achthonderd mensen, had aan vijftig plaatsen genoeg. In die naoorlogse jaren was het beeld van kerk-zijn zodanig veranderd dat andere wegen moesten worden ingeslagen. In die tijd was ik een van de hervormde predikanten en ik kwam beschikbaar doordat mijn werk als diaconaal maatschappelijk predikant werd ingevoegd in het katholiek maatschappelijk werk. Een samenwerking die het gevolg was van vernieuwde kerkelijke inzichten.

Opdracht onbegrensd

Het klonk wel wat naïef en toch werd het zo gezegd: “Dominee, hier heeft u een kerk en zie maar wat u ermee doet.” In ieder geval was duidelijk: in de Nijmeegse situatie een kerk vullen met achthonderd mensen was een onmogelijkheid. Ook in ons denken over kerk-zijn in die jaren was de vraag niet: hoe vul ik een kerk? maar: hoe kan ik in het naoorlogse denken, na Auschwitz, nog over God denken? Een vraag die niet meer binnen het protestantisme alléén beantwoord kon worden, maar in nauwe samenspraak en dialoog met de katholieke broeders en zusters in deze stad. En daar de opdracht eigenlijk onbegrensd was, stond het mij als dominee vrij die weg op te gaan. En ook ik wist al evenmin waar we terecht zouden komen.
Aan deze toen zeer persoonlijke beslissing van mij was wel het een en ander voorafgegaan. Ik had in de jaren zestig nauwe contacten met de parochie van de dominicanen bij de Oude Heselaan. We waren gewoon maar begonnen met af en toe samen te komen in een kerk om te zingen, te bidden en de Bijbel te lezen. Als een vanzelfsprekende zaak waarop christenen elkaar kunnen aanspreken. Daar kwamen geen dogmatische beslissingen aan te pas en geen bisschop kon erdoor van de wijs raken. Dat raakten de bisschoppen van dit bisdom, Bekkers en Bluyssen, dan ook beslist niet.
Die samenkomsten waren voor de pers spectaculair maar voor ons niet. Je kon je schamen dat zoiets voor christenen niet de gewoonste zaak van de wereld was. Wat leerden we uit die uiterst eenvoudige samenkomsten? Dat we ten opzichte van elkaar wel wat in te halen hadden. We leerden naar elkaar te luisteren. We ontdekten dat we vaak heel verkeerde beelden van elkaar hadden, nog afgezien van de beelden in de kerk. Langzaam ontdekten we dat in het diepst van ons bestaan de vraag lag naar de gemeenschap met God. We ontdekten verschil in geloofsbeleving, in liturgie, in omgaan met de sacramenten.
Maar heel veel kon blijven rusten omdat we allereerst zochten naar gemeenschappelijke ervaringen in aanbidding en lofzang. En verder werd er weer gepraat op straat over roomsen en protestanten. De dominee was dan wel geen priester, maar hij geloofde ook veel! De pater was dan wel niet getrouwd, maar hij was toch een echt mens!