Een nieuwe hemel en een nieuwe aarde

Preek in het Oecumenisch City Pastoraat, Stevenskerk, Nijmegen, op zondag 17 december 2017.

Lezingen: Jesaja 65,17-25 en Johannes 3,22-30

 

Een nieuwe hemel en een nieuwe aarde

 

Deze zondag in de advent heet zondag gaudete – weest blij, verheugt u. De lezingen van vandaag laten er geen twijfel over bestaan: een nieuwe hemel en een nieuwe aarde zijn op handen. Jesaja kondigt eindelijk bevrijding aan. Na zoveel jaren ballingschap in het land van Babel keert het tij, de terugkeer van het joodse volk naar het eigen land kan beginnen, de opbouw van een nieuw bestaan ligt binnen handbereik. Voortaan zelf bepalen hoe je wilt leven. Het geleden leed is vergeten, de uitbuiting voorbij. Mensen kunnen zelf rondkomen van hun eigen arbeid. Vijandschap is verleden tijd, het lam en de wolf liggen samen in de wei. Het is vrede. Op dit alles rust Gods zegen, zegt Jesaja, ja God kondigt bij monde van de profeet zelf aan dat Hij van Jeruzalem een jubelende stad zal maken en van de wereld een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Dít is de belofte die God doet.

         Hoeveel mensen zien er niet uit naar zo’n belofte, mensen die onder oorlogen zuchten, op de vlucht zijn, alles verloren hebben en in den vreemde verblijven. Maar het geldt eigenlijk voor ieder wiens leven door wat voor omstandigheden ook op een ruïne lijkt. Uitzien naar een totaal nieuw begin, een schone lei, alle leed achter zich laten, dat is de boodschap van het messiaanse verhaal. Of zoals het boek Openbaring het zegt, verwijzend naar onze lezing uit Jesaja: “Ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde […]. Gods woonplaats is onder de mensen, Hij zal bij hen wonen.[…] en als hun God bij hen zijn. Hij zal alle tranen uit hun ogen wissen. Er zal geen dood meer zijn, geen rouw, geen jammerklacht, geen pijn, want wat eerst was, is voorbij.” (Openb. 20,1-4). Breken met de ketenen van het verleden, met wat je knecht en terneer drukt, het is mogelijk, zegt deze profetie. Of: deze wereld omgekeerd, zoals de zaligsprekingen zeggen, te beginnen met de treurenden, want zij zullen getroost worden en de hongerigen, want zij zullen verzadigd worden (Mt 5,4;6). Of zoals Maria het in het Magnificat zingt: “wie gering is geeft Hij aanzien, heersers stoot Hij van hun troon” (Lc 1,52).

         Het is een groot goed, dit besef dat er een radicaal nieuw begin mogelijk is, het houdt de hoop levend. Maar je moet met die belofte van een nieuwe aarde en een nieuwe hemel wel goed omgaan. Dit visioen is zo prachtig en aantrekkelijk dat het gemakkelijk louter een projectiescherm van eigen wensdromen wordt. Begrijpelijk, wanneer onrecht, onvrijheid, beknotting, armoede en onderdrukking je deel is geweest. Je verlangt dan naar precies het tegenovergestelde: vrijheid, ontplooiing, welvaart, gelijke kansen en rechten. Maar zulke concrete voorstellingen en verwachtingen zijn soms het spiegelbeeld van het verleden dat je achter je laat. Revoluties ruimen feodale regimes op, maar eten soms ook hun eigen kinderen op, zoals het spreekwoord zegt, en zetten zo de onderdrukking voort. Een scheiding kan het einde betekenen van een slechte relatie, maar de idealisering van een nieuwe relatie kan opnieuw op een fiasco uitlopen. Het nieuwe leven lijkt dan ineens toch weer erg veel op het oude, de hemel op aarde wordt soms toch weer veel op een hel. Wensdromen drukken het verlangen uit naar iets heel anders, heel nieuws, totdat blijkt dat ze uitlopen op het oude en vertrouwde dat je juist verlaten wil. Hoe kan de hoop in stand blijven op iets dat echt nieuw, echt beter, echt menselijk is?

         Dan is daar Johannes de Doper, de aankondiger, de voorloper. Hij roept op de paden recht te maken en de verschillen tussen bergen en dalen te effenen, zoals we vorige week hebben gehoord (Joh. 1,23; vgl. Jes. 40,3). Zo maken we de weg vrij voor de Messias, voor hem die, zoals hij zegt ‘na mij komt’. Het vrij maken van de weg voor de Heer is een enorme opgave. Het werken eraan is ingegeven door het visioen van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde, het verlangen naar recht en menselijkheid. Maar uiteindelijk overtreft God die naar ons toekomt, alle menselijke visioenen, inspanningen en verlangens. “Hij moet groter worden en ik kleiner”, zegt Johannes de Doper (3,30). Zo’n zin stoot ons misschien tegen de borst. Mijn emancipatie en de belofte van het rijk Gods kunnen toch heel goed in elkaars verlengde liggen? God en mens zijn toch geen concurrenten?
         Johannes de Doper is een sleutelfiguur in de adventsverhalen. En hij is een sleutelfiguur voor ons. Misschien staat hij wel model voor elke gelovige. De Doper staat op een snijvlak. Aan de ene kant wil hij de weg des Heren bereiden en advent beoefenen in de zin van: werken aan de komst van het rijk van de vrede, het visioen van gerechtigheid. Bij het gereed maken van die weg spelen vele menselijke verlangens en dromen een rol. En natuurlijk de hoop op vervulling van die verlangens.

         Maar aan de andere kant weet de Doper dat hij inderdaad kleiner moet worden en de komende Messias groter. Want advent is alles bijeen niet zozeer het van onze kant toewerken naar en voorbereiden van het rijk van de vrede. Het is vooral het naar ons toekomen van de Messias. Deze Messias zal een verhaal vertellen over een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, over het rijk Gods. Zeker. Maar het zal een verhaal zijn dat al onze verlangens, dromen,verwachtingen, inspanningen en voorbereidingen verre te boven gaat – ook al zal de menselijke roep om heil en bevrijding in dat verhaal beslist resoneren. Jezus zal een ongelooflijke boodschap vertellen in zijn evangelie, goed nieuws. In dat goede nieuws transformeert hij onze voorstellingen over de ware en goede menselijkheid op een manier die we ons nog niet kunnen indenken. Hij opent een perspectief op ons mens-zijn dat boven zichzelf uitstijgt. De gerechtigheid van mensen is immers nog niet die van God. God is groter dan ons hart (1 Joh. 3,18-20). De ethiek die met Jezus’ boodschap samenhangt, die van de onvoorwaardelijke solidariteit, barmhartigheid en vergeving, lijkt de menselijke draagkracht te boven te gaan. Maar, zegt de Messias, mijn juk is zacht en mijn last licht (Mt 11,29-30), ik kom naar jullie toe om jullie last licht te maken, zodat jullie de eerste schreden kunnen zitten op de weg van het rijk Gods. Het is díe belofte die maakt dat de komst van de Messias een bron van hoop voor ons is, hoop dat de hemel en de aarde écht nieuw zullen worden. Daarom mogen we vandaag, op deze zondag, tegen elkaar zeggen: verheug je.

 

Moge het zo zijn.

Leo Oosterveen