Hoopvol leven

Zondag ‘Kondigt het jubelend aan’, A-jaar
Stevenskerk, 25 mei 2014
Lezingen: 1 Petrus 3:14-22; Johannes 16:16-24
Hoopvol leven
‘Nog een korte tijd en je ziet mij niet meer,
en wéér een korte tijd en je zult mij zien.’
Dat is het refrein dat door het evangelie van deze zondag heen klinkt. Een korte tijd ben je het kwijt; en wéér een korte tijd, en daar is het! Even heb je het niet op je netvlies, en kijk daar verschijnt het opnieuw!
Even niet en dan weer wel. Het is de beweging van Pasen, die door heel het evangelie van Johannes heen gaat. Even is het weg en dan komt het terug. Een fractie verschil, een verspringing.
Pasen is niet dat het nu ongebroken alleen maar goed gaat. Ook de doop voorkomt niet dat we na het opstaan toch weer vallen. We worden de beweging van Pasen binnen gedoopt en die beweging kent het op en neer, het weggaan en terugkomen, het bloeden en bloeien. Het is steeds opnieuw: nu wel en straks even niet en ja dan weer wel.
Bij de vreugde van Pasen hoort het beeld van die zwangere vrouw uit het evangelie, voor wie het uur van het baren gekomen is. Haar vreugde ontstaat uit de pijn. Zo wordt ook de paasvreugde uit het verdriet geboren. Pasen gaat altijd weer door het verdriet heen. Dat is hoopvol, want elk verdriet heeft dan de belofte van een nieuwe geboorte. Uit elk verdriet mag je als mens nieuw tevoorschijn komen: uit verlies en depressie, uit mislukking en schuld.
‘Nog een korte tijd en je ziet mij niet meer,
en wéér een korte tijd en je zult mij zien.’
Jezus spreekt in heel het evangelie van Johannes als de verrezene, ook als hij, zoals in de tekst van vandaag, het lijden en de dood nog tegemoet gaat. Als verrezene gaat hij telkens opnieuw het lijden en de dood in:  hij duikt onder in het verdriet van de wereld om daar doorheen te gaan, om het verdriet te tekenen met de hoop. Jezus is op reis door het verdriet. Je ziet hem even niet meer als verrezene in zijn glorie als hij door het vuil van de wereld heen gaat. Maar uit de misère verrijst hij.
Over de reis van Jezus door het verdriet spreekt ook de brief van Petrus. De lezing van vandaag bevat een mythisch fragment, zoals die wel meer in de Bijbel staan. In een mythe wordt het onzegbare verbeeld. Onze dromen en de mythen spreken dezelfde symbolische taal. Voor Jezus’ mythologische reis maakt Petrus gebruik van de gegevens uit een joods geschrift van kort voor de jaartelling, het boek Henoch. In dat boek wordt beschreven hoe een wereld ten onder ging vanwege goden die zich uitvierden in overconsumptie, geilheid en geweld. Goden: gevallen engelen, corrupte topmanagers, mateloze egotrippers, over het paard getilde idolen, vijanden van alles wat schepping is en menselijkheid. In de mythe worden ze door de Eeuwige opgeborgen in een kerker. Ze spoken rond in de afgrond, in de afgrond van de wereld en van onszelf. Ja het beest zit ook in ons. En er hoeft maar iets te gebeuren of ook wij brullen en laten ons gelden en trappen naar alle kanten. Naar dat mythische donker is Jezus afgedaald, naar de chaos die heerst als er geen schepping is. Jezus is gereisd naar de zwarte gaten in de geschiedenis, naar de inktzwarte bladzijden van de mensheid, naar het duister in mij, naar afgronden van gemeenheid, waar het woord van van het leven niet wordt gehoord. Naar dat ongehoorzame is Jezus toegegaan en heeft er zijn woorden van leven verkondigd. In de oosterse orthodoxie wordt op Paaszaterdag beleden dat de reikwijdte van Pasen peilloos is, dat de paasbeweging neerdaalt in de hel: de diepste afgrond in de wereld en in onszelf wordt door Christus bezocht. Zelfs de gruwelijkste dromen en de diepste val en de grootste verwoesting, alles in mijzelf waar ik van schrik en waarvoor ik mij schaam, zijn niet meer los van hem.
De beweging van de opstanding, van de geboorte en de doop tot een nieuw leven, gaat door het duister heen. Soms lijkt het licht door dat donker verslonden te worden; het nieuwe lijkt er dan niet meer te zijn, het lijkt verdwenen. Maar kijk, daar komt het uit het donker weer tevoorschijn. Het leek even weg maar het meldt zich weer. Zo gaat het proces van Pasen voortaan: het nieuwe wil dwars door het oude heen. Het wil waar worden in de wereld zoals die is.
De wereld was destijds een samenleving met een keizer en zijn gouverneurs, met heren en slaven, en vrouwen onder het gezag van hun echtgenoten. Dat verander je niet zomaar, daar moet je maar doorheen, schrijft Petrus. Je zult je soms moeten voegen, juist om in het oude dat voorbijgaat het nieuwe neer te leggen. Maar ook al blijft de samenleving voorlopig zoals die is, met bazen en baasjes; ook al blijf je slaaf of als vrouw gevangen in een huwelijk dat jou beperkt; ook al stuit je op weerstand en moet je soms echt door het lijden heen — Petrus herhaalt in zijn brief tegenover allen en slaven en vrouwen in het bijzonder: wees niet bang, wees van binnen vrij, heb geen angst in je ogen. Je ogen mogen vrijelijk spreken van de hoop die binnenin in je is — de hoop die ontspruit aan de gang van Jezus door het donker heen.
Hoop mag spreken uit de manier waarop je je leven in deze samenleving probeert vorm te geven. Je loopt dus niet weg uit het bestaande, je emigreert niet, je blijft, daar ben je — zonder vrees en vol hoop.
Kayleigh is zo-even in die beweging van hoop ingedoopt.
De doop is niet, schrijft Petrus, dat er vuil wordt afgewassen. De doop is niet dat je opeens brandschoon bent en blijft. Ook Kaleigh moet vallen en opstaan, zal fouten maken en op die manier leren, moet het licht leren prijzen omdat ze weet zal krijgen van de schaduwen rond haar en in haar. De doop is geen schoonmaakmiddel en geen vaccinatie. Wij allen die gedoopt zijn weten dat: wij zitten vol vlekken en krassen. Nee de doop is ‘een vraag aan God om een goed geweten’ — zo staat het in de bijbelvertaling. De doop is dat een vraag in je wordt gelegd. De doop is een vraagteken bij wat vele anderen als een onomstotelijk aannemen. De doop is een vraag aan de bestaande wereld. De doop zet een vraagteken achter vanzelfsprekendheden, achter autoritaire beperkingen, achter elk betweterig ‘zo is het’.
De doop is een vraag: een vraag om een goed geweten…
Wat is dat, ons geweten? Geweten is in de oude talen van onze cultuur, het Grieks en het Latijn, samen-weten. Ook Petrus, die in het Grieks schrijft, gebruikt dat begrip samen-weten. Als je gewetenloos bent, wil je niets samen-weten; je gaat gewoon je eigen gang, zonder aan wie ook maar rekenschap af te leggen. Maar als je geweten spreekt, is er verbinding.
Je kunt iets samen weten met je ouders, met je familie, met je vriendenkring, je collega’s. Maar dat levert niet vanzelf het goede geweten op zoals Petrus dat bedoelt. Soms moet je je juist losmaken van wat je tot nu toe samen met je familie of kennissen meende te weten. Er is veel samen-weten waarvan je je moet bevrijden. Bloed en ras leveren bijvoorbeeld duistere vormen van samen-menen-te-weten op. In zijn brief doelt Petrus echter op een samen-weten met God, om een weet hebben met God van de opstanding van Jezus. Om dat specifieke, hoopvolle samen-weten gaat het. De doop legt de vraag in je dat je in elke situatie weer samen met God mag weten dat een nieuw begin mogelijk is, dat een nieuwe wereld komt. Dat dus het oude maar beperkt geldig is. Waar je je moet invoegen in het bestaande, is het maar voorlopig.
In Kayleigh is de hoopvolle vraag neergelegd die ons allen is meegegeven. Die vraag doet telkens opnieuw van zich horen, een leven lang: is dit nou het bestaan waarvoor ik ben bedoeld? wat doet die angst in mijn ogen? voor wie ben ik bang?
Elke keer als ik toch weer kopje onder ga, als ik verstrikt raak, als ik me alleen voel, als wat er zo prachtig was weg is, als ik los moet laten wat ik tot mijn vreugde vasthad, als ik het niet meer zie, dan gaat de vraag die in mij is gelegd roepen, zingen, bidden — de vraag om met God samen te mogen weten dat het goed komt met de wereld en met mij. Dat kwijt zijn straks zal omslaan in ontvangen. Dat elk weggaan ook betekent dat er iets nieuw komt. Ja dat ik uit het verdriet en alle donker opnieuw geboren word.