Het leven in al zijn volheid

Het leven geven in al zijn volheid
 
Preek in het Oecumenisch City Pastoraat (OCP), Stevenskerk, Nijmegen, op 11 mei 2014.
Lezingen: 1 Petrus 2, 11-25 en Johannes 10, 1-10
Op een kruispunt van je leven staan. Welke kant opgaan? Links, rechts, vooruit, terug?

Voelen dat je niet meer verder kunt. Je bent opgebrand en zit langs de kant van de weg. Hoe weer op te staan en het ene been voor het andere zetten?
Aangetrokken worden door wel duizenden kansen die je zou kunnen grijpen. Je bent gek van onstuimigheid. Maar voor welke kans te gaan?
Verscheurd worden door een dilemma. Met wie moet ik verder?
Afgeschreven zijn door gezondheid, ontslag, diep in de schulden, maar met nog zoveel ambities, ideeën en idealen. Is er nog plek voor?
Een nieuw leven. Maar met welke idealen dit kind opvoeden? Voor wat voor een wereld?

Vragen die uitzonderlijk lijken, maar het helemaal niet zijn. Ze gaan over de zin, de richting van je leven, van ieders leven. Ze gaan over keuzen, moed, kracht, liefde, doorzetting, en over waarden, maar ook over twijfel en wanhoop. Allemaal hebben we met deze vragen te maken. Of we er weg mee weten of niet.
Als je er geen weg mee weet, kun je hulp zoeken. Bij iemand die je vertrouwt, een helper, buddy, vriend, een pastor, iemand die je helpt de weg te vinden. Een professionele kracht of niet. Iemand die je op weg helpt door het veld van het leven.
Wat is een goede pastor, een goede begeleider? Het is vooral iemand die met jou probeert uit te vinden wat voor jou een begaanbare weg is, iemand die je aanmoedigt om die weg te gaan, iemand die nabij is.
Vaak gaat dat goed. God zij dank. Soms gaat het mis. Bijvoorbeeld als de helper, de buddy, de pastor zelf de weg verspert en zegt: Ik ben jouw redding, buiten mij is er geen uitweg. Zo’n helper staat degene die hulp zoekt in de weg.
Johannes voert ons binnen in het veld van de rijke pastorale beeldspraak van het volk van Israël. Het tafereel is een schaapskooi, het toegangshek ervan, de schaapskudde, de rovers, een wachter die het hek van de kooi bewaakt. En een goede herder, die de kudde veilig naar buiten en weer terug in de kooi leidt. Johannes bouwt hiermee voort op een traditie waarin het volk van Israël wordt voorgesteld als kudde en God of diens representant, de koning, als de herder. Psalm 80 zingt: “Hoor ons, herder van Israel, die Jozef leidt als een kudde”. De profeet Micha jubelt: “Ik zal je bijeenbrengen, Jakob, je in je geheel bijeenbrengen. Ik zal verzamelen wat er van Israël over is; ik zal het verzamelen, binnen de omheining als een kudde in de wei” (Micha 2, 12-13). Maar het kan ook fout gaan. De profeet Ezechiël heeft een visioen, maar hij waarschuwt ook:  

“Wee jullie, herders van Israël, want jullie hebben alleen jezelf geweid! Horen herders niet hun schapen te weiden? Jullie eten wel van hun kaas, jullie gebruiken hun wol voor je kleren en jullie slachten de vette dieren, maar de schapen weiden, dat doen jullie niet. Zonder herder raakten ze verstrooid, en werden ze door wilde dieren verslonden. Mijn schapen zijn verstrooid, ze dwalen rond in de bergen en hoog in de heuvels; over heel het aardoppervlak raken ze verstrooid, en er is niemand die naar ze omziet, niemand die naar ze op zoek gaat. Mijn schapen hadden geen herder, ze werden weggeroofd en door de wilde dieren verslonden; en jullie, herders, keken niet naar mijn schapen om, jullie hebben alleen jezelf geweid maar niet mijn schapen! […]Dit zegt God, de eeuwige: Ik zal zelf naar mijn schapen omzien en zelf voor ze zorgen. Zoals een herder naar zijn kudde op zoek gaat als zijn dieren verstrooid zijn geraakt, zo zal ik naar mijn schapen op zoek gaan en ze redden, uit alle plaatsen waarheen ze zijn verdreven op een dag van dreigende, donkere wolken. […]Op de bergen van Israël en bij de waterstromen zal ik ze weiden, overal in het land waar mensen wonen. Ik zal ze laten grazen op een goede weide, ook hoog in de bergen van Israël zullen ze gras vinden; op Israëls bergen zullen ze rusten op groen grasland en in een grazige weide. Ikzelf zal mijn schapen weiden en ze laten rusten – spreekt God, de eeuwige. Ik zal naar verdwaalde dieren op zoek gaan, verjaagde dieren terughalen, gewonde dieren verbinden, zieke dieren gezond maken .[…] Zelfs in de woestijn kunnen ze veilig wonen en in de bossen onbezorgd slapen. […]Jullie zijn mijn schapen, de schapen die ik weid; jullie zijn mijn mensen en ik ben jullie God – zo spreekt God, de eeuwige.” (Ez. 34).
Aldus Ezechiël die weet van de noodzaak van goede herders, maar ook van de rampspoed van slechte herders die alleen op eigen voordeel uit zijn. God zelf wil de goede herder worden van Israël en het weiden en op zoek gaan naar de verloren schapen. God zal de verwaarloosde schapen weer tot hun recht laten komen. Tegenover de zogenaamde herders die alleen hun eigenbelang en winstbejag najagen, staat God, die Israël wil beschermen en behoeden.
In het Nieuwe Testament heeft deze tekst van Ezechiël echo’s. In het Lucasevangelie komen we de parabel tegen van de goede herder die zijn 99 schapen in de steek laat om het ene verloren schaap te gaan zoeken (Lc 15,4). En ook Johannes kent deze tekst en borduurt erop voort als hij nadenkt over de betekenis van Jezus, de goede herder en over de schaapskooi en de deur daarin.
De gemeente van Johannes is in crisis, zoals het volk Israël ook in crisis was ten tijde van Ezechiël. In de eerste Johannesbrief lezen we dat er sprake is van vele antichristussen en valse profeten. Zij ontkennen dat Jezus de Christus is. “ Bestaat er een grotere leugenaar dan iemand die ontkent dat Jezus de Christus is? De antichrist is ieder die de Vader en de Zoon niet erkent.” (1 Joh. 2,2). Johannes beschouwt deze mensen als rovers die van buiten af de schaapskooi binnendringen en proberen volgelingen te krijgen. Zij zijn niet uit op het   heil van de schapen, maar slechts op eigen gewin. Jezus daarentegen kent zijn kudde en wil niets dan zijn heil en de kudde kent hem en erkent hem. Wijs antichristussen af en volg slechts Jezus. Ze offeren de schapen, het volk Gods, op aan hun eigenbelang (Joh. 10,10). Zo niet Jezus, zegt Johannes.
Maar hoe staat het met Jezus zelf? Johannes vertelt hoe de echte leerlingen van Jezus slechts hem volgen, en niemand anders – net zoals de schapen slechts hun enige herder volgen. Alleen de herder is de deur waardoor de schapen in een uit lopen en weidegrond vinden. Degenen die zich door de zijwand een toegang forceren, zijn dieven om   de schapen te roven en te vernietigen. Alleen Jezus is de deur voor de schapen en alleen wie door die deur gaan, zullen grazige weiden vinden (10,7.9).
Als Jezus, de goede herder, hier zich zo centraal stelt, is dat geen probleem? Het gaat toch om de schapen, dat ze weidegrond vinden, op weg geholpen worden, weer verder kunnen? De herder is er toch voor de schapen en niet omgekeerd? Het gaat toch om de weide en niet alleen om de deur erheen? Toont Jezus zich hier geen slechte therapeut? Is hij hier niet eerder een slechte dan een goede pastor?
Aan het slot van dit evangelie zegt Jezus waar het hem om te doen is: dat hij zijn schapen, zijn volgelingen leven wil geven in al zijn volheid (10,10). Een overmaat van leven. Ook hier horen we het visioen van Ezechiël. Maar wat bedoelt Jezus precies met die volheid van leven? Een paar hoofdstukken verder in dit evangelie zegt Jezus: “Wie mij leefheeft, houdt zich aan mijn geboden.” (Joh. 14,15.20). Jezus is de deur die leidt naar leven in overvloed. Maar die deur is de deur van de navolging, doen als hij deed. Wij  mogen Jezus de goede herder noemen, als wij dat ook zelf willen zijn. Ook de schapen, het volk van God, wijzelf worden opgeroepen een einde te maken aan roofzucht, het najagen van louter eigenbelang, het in stand houden van tweedeling en uitsluiting, aan leven alleen ten eigen bate. En wij worden opgeroepen ons leven te wijden aan genezen, verbinden, aan het opzoeken van hen die verloren zijn, hen te eten te geven en te drinken. Opdat het leven voor allen overvloedig wordt.
Moge het zo zijn.
Leo Oosterveen o.p.