Herdenking van de overledenen, Oecumenisch Citypastoraat, Nijmegen, 4 november 2018,

 

Zusters en broeders,

Vandaag gedenken wij onze doden. ‘Gedenken’, dat woord heeft in de joodse en christelijke traditie een bijzondere betekenis. Gedenken vooronderstelt geschiedenis en herinnering, maar is meer dan dat. Wanneer wij iemand gedenken, herinneren we ons niet alleen wie hij of zij ooit in de geschiedenis geweest is, maar stellen wij hem of haar ook present in het heden en voor de toekomst: wij realiseren ons wie deze overleden mens ook nu nog voor ons is, hoezeer hij of zij nog altijd met ons verbonden is en ons leven nog altijd mee richting geeft. Wij zijn de eersten niet; wij zijn verbonden met een lange rij van mensen vóór en na ons. Gedenken verbindt ons met de mensen vóór ons en na ons, het creëert een solidariteit die onszelf overstijgt. Een joodse spreuk – een uitspraak van de Baäl-Sjem-Tov, de grondlegger van het chassidisme – drukt het treffend uit: “Ballingschap wordt veroorzaakt door vergeten, in gedenken ligt het geheim van de verlossing.”

Wanneer wij gedenken, is het alsof de grens van de tijd voor even worden opgeheven. De grens tussen ons die nog in de tijd staan en de gestorvenen die letterlijk uit de tijd zijn, vervaagt als het ware. Wij die nog leven en zij die reeds zijn gestorven, we blijken met elkaar verbonden te zijn. Wij, de levenden, zijn solidair met de doden. Dat lijkt me de diepste betekenis te zijn van Allerzielen, de dag waarop in de katholieke traditie de overledenen worden herdacht. Maar ook omgekeerd: de doden die bij God zijn (‘de heiligen’) zijn solidair met de levenden. Dat is wat men in de katholieke traditie viert op het feest van Allerheiligen. Die twee, Allerzielen en Allerheiligen, horen dus bij elkaar.
Wie weggingen en wie nog bleven, wij blijven met elkaar verbonden. Rutger Kopland drukt dit verbond tussen doden en levenden in een gedicht als volgt uit:

 

 

Weggaan is iets anders
dan het huis uitsluipen
zacht de deur dichttrekken
achter je bestaan en niet
terugkeren. Je blijft
iemand op wie wordt gewacht.

Weggaan kun je beschrijven

als een soort van blijven.

Niemand wacht want je bent er nog.

Niemand neemt afscheid

want je gaat niet weg.

 

Twee teksten uit de heilige Schrift vergezellen ons vandaag, uit het boek Job en de Brief aan de Hebreeën. Elk op eigen wijze zijn het teksten over geloof en belofte en over de worsteling die een mens daarbij ten deel kan vallen.

Het verhaal van Job is inderdaad het verhaal over een worsteling. Job, een rijk man, vader van zeven zonen en drie dochters, was een uitermate vroom mens. Maar zou zijn geloof wel standhouden als hij zou worden beproefd? De Eeuwige geeft Satan verlof om de goede man Job tot het uiterste op de proef te stellen. Job verliest alles wat hij had, zijn vee, zijn rijkdom, zijn kinderen sterven en ten slotte verliest Job ook nog zijn gezondheid: hij wordt overdekt met zweren. “Ik hoopte op het goede”, klaagt Job, “maar het kwade kwam, het licht verwachtte ik, maar de duisternis brak aan” (Job 30,26).
Jobs zogenaamde vrienden houden hem voor dat hij met zijn geklaag niet zo hoog van de toren moet blazen. Volgens hen zwelgt Job in onterecht zelfbeklag. ‘Schijnheilig boontje komt om zijn loontje’, zeggen ze tegen Job. Deze zogenaamde vrienden gaan uit van de theorie dat lijden het gevolg is van morele schuld. Job echter gaat uit van het ene, voor hem onomstotelijke feit: hem is onverdiend lijden overkomen.

God heeft zich in de ogen van Job tegen hem gekeerd, God heeft zich als zijn aartsvijand ontpopt. Job klaagt God daarom aan. Begrijpelijk – en ook voor ons herkenbaar. Minder en op het eerste gehoor niet zo herkenbaar is dan dat Job tegelijkertijd bij alle rampspoed die hem overkomt, toch zijn geloof in de Eeuwige overeind houdt. Wij hoorden hem dit zeggen: “Ik weet mijn verlosser leeft en hij zal ten slotte hier op aarde ingrijpen. Hoezeer mijn huid ook is geschonden, toch zal ik in dit lichaam God aanschouwen. (…) ik zal hem met eigen ogen zien, ik, geen ander.”
Het verhaal van Job gaat over wat ieder van ons overkomen kan, over wat menigeen van ons al overkomen is: het verlies van de liefste(n), van je dierbaren, van geborgenheid, zekerheid en veiligheid. Onbegrijpelijk is dat voor ons en onbegrijpelijk  ook is het soms wat mensen die je goed kent, mensen in je eigen omgeving, aan lijden overkomt. Onbegrijpelijk evenzeer is wat je ziet en leest in de media, het leed dat mensen op wereldschaal overkomt: brutaal geweld, economische uitbuiting, verschrikkelijke natuurrampen. Laten we er met Job geen doekjes om winden: dat alles is letterlijk godgeklaagd. Klagen mag, aanklagen moet, leert het boek Job ons. Maar tegelijkertijd weten we met Job: al dit lijden en kwaad is niet wat God wil. God is solidair met wie lijden. ‘Onze verlosser leeft.’

God is solidair met wie beproefd worden. Dat ook is de boodschap van de schrijver van de Brief aan de Hebreeën. “Wij zullen niet ten onder gaan, maar door het geloof behouden blijven”, zegt hij. Want het geloof “is de zekerheid der dingen die men hoopt en het bewijs van de dingen die men niet ziet”. ‘Geloof’, een ander woord daarvoor is ‘vertrouwen’. Geloof, vertrouwen dus, is in de Hebreeënbrief nauw verbonden met hoop. Hoop op wat wij nog niet zien, maar wat ons door God beloofd is. De wereld zoals die nu is, in al zijn onbegrijpelijkheid, gaat voorbij, zo luidt Gods belofte aan ons. Zusters en broeders, het komt dus goed, met u, met mij, met ons! Ons wachten nog ‘ongeziene dingen’: een ‘beter, hemels vaderland’, zegt de Hebreeënbrief, ‘een stad met fundamenten’.
De schrijver van de Brief aan de Hebreeën wil de eerste christenen moed inspreken. Hij spoort hen aan de weg van het geloof te gaan. Die weg gaan betekent: het aandurven om ten opzichte van deze wereld en de daar heersende wanverhoudingen een vreemdeling, een migrant, te worden.

De Hebreeënbrief noemt een groot aantal gestalten uit het Oude Testament die deze weg gegaan zijn. Onder hen aartsvader Abraham. In geloof, in vertrouwen op Gods belofte dus, is Abraham op weg gegaan “zonder te weten waarheen”. Ook aartsmoeder Sara vertrouwde op Gods belofte. Door haar geloof werd zij, ofschoon oud en onvruchtbaar, moeder van een kind. De schrijver van de Hebreeënbrief stelt aan zijn lezers en hoorders – en ook wij horen daarbij! – het godsvertrouwen van Abraham en Sara ten voorbeeld. Hij roept ons op hen te gedenken, om allen te gedenken die ons in geloof zijn voorgegaan. Te gedenken, dat wil zeggen: present te stellen in ons bestaan, hen in ons leven opnieuw vlees en bloed te laten worden.

Wij die nog leven en zij die reeds zijn gestorven, we blijven met elkaar verbonden. De doden zijn weggegaan, maar hun weggaan kun je beschrijven als een soort van blijven. Maar hoe zit dat precies? Dát, zusters en broeders, weten wij niet; vanuit onszelf kunnen wij er slechts stamelend en aarzelend over spreken. Maar dít weten wij wel: wij zijn de eersten niet, wij zijn omgeven door een wolk van getuigen: Job, Abraham en Sara en allen wier namen wij dadelijk met eerbied zullen uitspreken. In dit gedenken vermoeden wij het geheim van onze verlossing. Moge de gedachtenis aan wie ons in de dood zijn voorgegaan, ons tot zegen zijn.