Gods volk onderweg Overweging OCP Nijmegen – 24 december 2017 Ruud Roefs

 

 

Vierde zondag van de advent

 

2 Samuël 7, 1-5.8b-11.16

Lucas 1, 26-38

 

 

‘Gods volk onderweg’. Met deze befaamde woorden gaf het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965) uitdrukking aan wat in zijn ogen de kerk was – of minstens geacht werd te zijn: ‘Gods volk onderweg’. Het gaat hier om een definitie die een noodzakelijk tegenwicht bood aan de tot dan toe gangbare benadering die, even nadrukkelijk als eenzijdig, het goddelijk karakter van de kerk beklemtoonde. De kerk, zo stelde het concilie, was een avontuur van God en mens samen. Van een gemeenschap die op weg was – als op een pelgrimstocht, zoekend en tastend. Met God aan haar zijde – als onzichtbare tochtgenoot. Op weg naar – inderdaad – God weet waarheen.

Gods volk onderweg. Geloven als een zoektocht. Het is een taal die – zo lijkt me – meer recht doet aan het hedendaagse levensgevoel dan de vaak verheven en abstracte taal van de klassieke kerkelijke dogmatiek, die vaak weinig ruimte laat voor de verbeelding. Bovendien heeft het beeld van het op weg zijn, het pelgrimeren, het gezamenlijk optrekken van God en zijn mensen, oude bijbelse papieren. De joodse Schriften – die verzameling van boeken die wij ongelukkigerwijs zo vaak als ‘Oude Testament’ betitelen – zijn vergeven van verhalen over mensen die, letterlijk, gaandeweg ontdekken wie ‘God’ is – en wie zij zelf zijn.

Met de aartsvaders Abraham, Isaäk en Jakob begint deze grote ontdekkingsreis. Het zijn nomaden, rondtrekkende herders, telkens op zoek naar geschikte weidegrond voor hun kudde. Hun joodse nakomelingen volgen hetzelfde spoor, en eeuwenlang zullen het mensen zijn zonder vaste woon- of verblijfplaats. Als ze zich uiteindelijk vestigen in Kanaän en na verloop van tijd tot welstand zijn gekomen, willen ze – precies als de volken om hen heen – een koning aan het hoofd van de natie. Ze willen laten zien dat ze meetellen en niet voor anderen onder hoeven te doen. En hun wens wordt vervuld. Ze krijgen een koning. Eerst Saul, daarna David.

David – zo lezen we vandaag – wil een tempel bouwen voor de God van Israël, opnieuw naar het voorbeeld van de buurtvolkeren. Zij een tempel, dan ook wij een tempel! Tot dan toe woonde God in een tent – precies als zijn volk onderweg. Dat heeft geen pas meer, vindt David. De tijden zijn immers veranderd. Hier is een echte tempel op zijn plaats. Ter meerdere eer en glorie van – ja, van wie eigenlijk?

Hier verschijnt de profeet Nathan ten tonele. Nathan die zijn koning al eens eerder tot de orde heeft moeten roepen. Hij keurt – in tweede instantie, na ’s nachts door de Heer op het goddelijke matje te zijn geroepen – Davids plannen in niet mis te verstane bewoordingen af. Hij heeft immers al vaker gezien hoe koningen elders een tempel bouwden. Zogenaamd ter ere van hun goden, maar in feite om zichzelf te bewijzen. Om te laten zien waartoe zij in staat zijn. Het doet een beetje denken aan die niet eens zo oude verhalen over die pastoor of burgemeester die per se een kerktoren wilde die hoger was dan die van het naburige dorp. Je wilt toch laten zien dat je er bent, nietwaar? Dat je meetelt. Om dezelfde reden waarschuwt Nathan zijn koning geen tempel te bouwen. De kans is levensgroot aanwezig dat het een monument wordt van zelfverheerlijking en eigenwaan – en dat God op een zijspoor wordt gezet. God trekt met ons mee – zo stelt de profeet. Je kunt en mag Hem niet vastleggen. Schenk God derhalve de ruimte en vrijheid om God te kunnen zijn. Laat Hem wonen in een tent en zet Hem niet gevangen in jouw tempel van hout en steen. De verleiding is immers groot dat je je van God meester maakt en zijn naam gebruikt om er uiteindelijk zelf beter van te worden. Om zelf een beetje God te zijn. Zoals menig politiek of religieus leider die de naam van God – als het hem of haar goed uitkomt – graag in de mond neemt. Poetin die met een vroom gezicht een kaarsje opsteekt in een kerk. Trump die zich druk maakt over de vormgeving van de kerstwens, het moet toch vooral ‘christelijk’ zijn. Zijn en blijven. IS, massamoord in naam van God – nee, beter: met een beroep op Gods naam. De God die vanzelfsprekend aan onze zijde staat. Feitelijk is er, drieduizend jaar na koning David, weinig nieuws onder de zon.

 

De tweede (en belangrijkste) reden echter om geen tempel te bouwen vernemen we wanneer Nathan tot David zegt: ‘De Heer kondigt u aan dat Hij voor ú een huis zal oprichten.’ (2 Samuël 7, 11b) Ik lees dit zo: God geeft te kennen dat Hij niet in een tempel wil wonen, maar in Davids nageslacht. In mensen dus. God laat zich niet vastleggen in tempels, moskeeën, kathedralen, dogma’s en instituties. Hij wil wonen in mensen. In mensen van allerlei slag. En dan niet eens zozeer in de zogenaamd ‘groten dezer aarde’, maar veeleer in kleine, kwetsbare mensen. Mensen die leven in de schaduw van Wall Street. Onzichtbaar en zonder nieuwswaarde. Wonend – wat heet? – in een tent of onder een stuk golfplaat. In een schuurtje of in een stal. Of soms dat niet eens.

 

God woont in mensen, zegt de profeet tot de koning. God woont in jou, zegt de engel tot Maria, een onbekend en eenvoudig meisje van het joodse platteland. En Jezus die uit haar geboren wordt, slaat bij ontheemde en ont-redderde mensen zijn tent op. Als het moet, schuift hij zelfs ‘heilige’ wetten en regels terzijde. Heilig zijn deze eerst dan wanneer zij bijdragen tot menselijk geluk. En niet eerder. Ook de betekenis van de tempel te Jeruzalem – het hart van het toenmalige jodendom – wordt door Jezus gerelativeerd. God ontmoet ik niet zozeer in een prachtige, stipt volgens de regeltjes verrichte eredienst, maar eerst en vooral in het geschonden gelaat van mijn naaste. Hij of zij is de ware tempel van God.

Rorate caeli is al eeuwen lang hét lied van de advent. Een soort ‘herkenningsmelodie’. Zingend bidden we daarin: ‘Moge de dauw van de hemel over ons neerdalen; dat de wolken gerechtigheid doen regenen over het land; moge de aarde opengaan opdat ze gelukkig wordt, en het zaad van de gerechtigheid de kans krijgt om te ontkiemen.’

 

Onze aarde zou er – dat is mijn diepste overtuiging – vandaag jonger, hoopvoller en gelukkiger uitzien als wij God zouden zoeken op de juiste plaats. Als we God zouden weten te vinden in onszelf en in elkaar. Als we onze naaste – ook hem of haar die zo anders is of lijkt dan wij – met respect tegemoet zouden treden. Als we zouden afzien van die grove, harde en onbarmhartige taal die onze samenleving van hoog tot laag dreigt te splijten en te vergiftigen. Laten we ons, juist als christenen – in godsnaam – sterk maken voor een andere taal, een menselijker taal, de taal die Liefde heet. Doe als God. Word mens.

 

Ruud Roefs