Blijf Waakzaam

Jan van Hooydonk, Oecumenisch Citypastoraat,Nijmegen,

3 december 2017, 1e advent, ‘Blijf waakzaam’,

(Jesaja 63,19b-64,8 [NBV], Markus 13,24-37 [Van Bladel]).

 

Zusters en broeders,

 

‘Kijk uit je ogen! blijf wakker! blijf waakzaam’, dat is de oproep die weerklinkt op deze eerste dag van het nieuwe kerkelijke jaar, de eerste zondag van de advent. ‘Kijk uit je ogen! blijf wakker! blijf waakzaam’, deze oproep vormt het dragende refrein van het dertiende hoofdstuk van het Markusevangelie. We hoorden daarvan zojuist het slot.

In het dertiende hoofdstuk van Markus spreekt Jezus over de wederkomst van de Mensenzoon. Aan die wederkomst zal, zo laat de evangelist Jezus zeggen, een tijdperk van grote verschrikkingen voorafgaan: een tijdperk van oorlogen, vervolging, verdrukking. Een tijdperk van ontheiliging van alles wat onder mensen heilig is, van ontwaarding van alles wat tot dan toe van waarde was. Het zal dan ook een tijdperk van gruwelijk verraad zijn en van verwoesting van de meest intieme banden: “De ene broer zal de andere uitleveren en hem de dood aandoen, de vader zijn kind, de kinderen zullen opstaan tegen hun ouders en ze de dood aandoen”, zo zegt Jezus in de passage die aan de lezing van vandaag voorafgaat.
Jezus spreekt over wat genoemd wordt ‘het einde der tijden’, maar vergis je niet: dat einde der tijden is voor de eerste christengemeente waarin het evangelie ontstaat, niet ver weg. Het is voor hen een alledaagse realiteit. Zij verkeren in een shock: de machtige tempel in Jeruzalem, centrum van het joodse leven en geloven, is in hun tijd door de vijand, de Romeinen, met de grond gelijkgemaakt. De eerste christenen leven intussen in de verdrukking, ze worden opgejaagd en vervolgd. Families worden uiteengereten. Er vallen slachtoffers onder hen. Sommigen sterven als martelaren. Deze ervaringen vormen de achtergrond waartegen het 13e hoofdstuk van Markus verstaan moet worden.

 

Het evangelie spreekt niet abstract maar concreet. Het evangelie spreekt niet over straks, maar over nu. Dat gold voor de eerste christenen, dat geldt ook voor ons, die twintig eeuwen later het evangelie horen. Ook wij kunnen ons in het evangelie van vandaag herkennen. Ook voor ons, zusters en broeders, is het einde der tijden namelijk niet straks, maar nu. Is ook onze tempel intussen al niet ingestort? In New York werd op 11 september 2001 het World Trade Center, tempel van de religie die kapitalisme heet, weggevaagd. Wat daarna volgde en waar we nog altijd midden in zitten – oorlogen, verkrachting, miljoenen die op de vlucht zijn geslagen, terreuraanslagen veraf en dichtbij – dringt dagelijks onze huiskamers binnen, bepaalt sinds 2001 ons gevoel van onveiligheid en dus ook onze politiek.

 

Nadenkend over het evangelie van vandaag en onze huidige situatie komt er een bekend adventslied in me op. Luister even met mij mee: [cantorij zingt: ‘Hoever is de nacht’].

‘Hoever is de nacht?’ Dat is de vraag die het evangelie bij ons oproept; dat is ook de vraag die onze huidige tijd bij menigeen – in ieder geval bij mij – oproept. Hoe lang gaan de verschrikkingen nog voortduren? Hoeveel slachtoffers moeten er nog vallen eer het vrede is? ‘Nóg is het nacht’, luidt het moedeloos makende antwoord van het lied, ‘nóg is het nacht’. Maar let op, dat is niet het enige wat over onze situatie gezegd kan worden! Tussen alle aankondigingen van de nacht heeft de lieddichter immers ook dat andere zinnetje geweven: ‘De morgen komt.’ De nacht, hoe duister ook, heeft dus niet het laatste woord. Het laatste woord is aan de morgen, zegt dit lied. Daaraan mogen we ons vasthouden: Het licht zal de duisternis overwinnen.
Ook het evangelie van vandaag spreekt over de morgen die komt: de sterren zullen van de hemel vallen, maar één ster komt ons in die diepe nacht ter ore, een nieuwe ster, de Morgenster. Het evangelie zegt het zó: “Dan zullen ze de Mensenzoon zien, komend op de wolken met grote macht en heerlijkheid.” ‘Mensenzoon’, dat is de naam, de titel, voor Jezus, de zoon van God, die geleden heeft en verworpen is, maar juist daarom ook zal zegevieren en oordelen. Deze Mensenzoon, Jezus zelf dus, zal, zo zegt het evangelie, zijn uitverkorenen verzamelen. Die uitverkorenen zijn alle mensen die met Jezus en net als Jezus de weg van dienstbaarheid en liefde gaan. Jezus zal hen verzamelen: dat is de belofte van het Koninkrijk dat onder ons baan breekt, nu al. Gelukkig zijn zij die daarvoor hun ogen openhouden, die oog hebben voor het uitbotten van de vijgenboom, die oog hebben voor elke daad van goedheid, menselijkheid en liefde die de nacht verdrijft. Gelukkig zij ook die in hun handelen, in hun politiek, in hun denken en spreken mensen niet uiteenjagen maar verbinden.

 

‘Kijk uit je ogen, blijf wakker, want je weet niet wanneer de tijd daar is’, zo roept het evangelie ons vandaag op. Het evangelie gebruikt hier voor het begrip ‘tijd’ het Griekse woord ‘kairos’. Dat woord ‘kairos’ staat voor de tijd die vervuld is, de tijd waarin het er voor de hoorders van het evangelie op aankomt om de juiste keuze te maken, de tijd waarvan je zegt ‘het is zover!’, het ‘uur U’ waar de dichter over spreekt. Op die tijd moeten we bedacht zijn.

Maar wanneer is die tijd, de tijd van de beslissende keuze, daar? Die tijd is, zegt het evangelie, altijd, elk moment. Die tijd is dus ook nu. ‘Kijk uit je ogen!, blijf wakker!, blijf waakzaam’, dat is de oproep die hier en nu aan ons gericht wordt.

‘Blijf waakzaam’, die oproep heeft niet alleen betrekking op ons denken, op het feit dat we alert moeten zijn op het goede dat baan breekt, maar waakzaamheid vraagt ook om daden, om handelen. Waakzaam zijn betekent dus ook: gaan in het voetspoor van de Mensenzoon, dienstbaar zijn zoals hij, het brood met elkaar delen zoals hij.
Het met elkaar delen van het brood drukt ons verlangen uit naar een wereld waarin er brood en liefde genoeg zal zijn voor allen. Moge dit kleine gebaar voor ons een ultieme oefening in waakzaamheid zijn. Amen.