Als door de ogen van een kind – Kerstmis: een beeld-verhaal

Overweging OCP Nijmegen – 25 december 2016

Als door de ogen van een kind.

Kerstmis: een beeld-verhaal.

Jesaja 52, 7-10; Johannes 1, 1-14

Het heeft het wel iets. Het geknal en geknetter straks in het donker daarbuiten – en de boom, de kerststal en de lichtjes binnenshuis. De kachel aan, de gordijnen dicht – een kaars die wordt ontstoken. Het laatste als een onopvallende daad van verzet tegen alles wat het leven verduistert. Dichtbij en ver weg. Ik merk dat ik daar steeds gevoeliger voor word. Of het te maken heeft met het vorderen der jaren? Ik weet het niet. Maar het zou me niet verbazen. Als ik om me heen kijk, merk ik in elk geval dat ik niet de enige ben die zijn eigen kleine en veilige wereld van licht creëert.

Licht. Een van die woorden uit het rijke vocabulaire van Johannes. Een woord dat mede toonbepalend is voor de ouverture van zijn evangelie, waarvan we zojuist een gedeelte hebben beluisterd. De christenen voor wie Johannes zijn verhaal – zo rond het jaar 90 – neerschrijft, hebben het zwaar. Vervolgingen zijn aan de orde van de dag. Christen-zijn is, anders dan voor ons, een riskante onderneming. Het kan je – letterlijk – de kop kosten. En velen geven ook daadwerkelijk hun leven.

Het evangelie van Johannes wil deze eerste volgelingen een hart onder de riem steken. De schrijver stelt hen gerust, bemoedigt hen en zegt: ‘Wees niet bang. Jij en ik, we mogen ons gedragen weten. Door Gods stille Aanwezigheid.’

Mooie woorden, maar waar ís die God dan? WIJ zie Hem niet …’ Een vraag van alle tijden. Ook al voor die eerste christenen, toen en ginds. ‘Waar ís die God van jou, Johannes ..?’ En, inderdaad, Hij lijkt soms ver weg. Onverschillig. Onzichtbaar. Onbereikbaar.

En toch beweert Johannes het tegendeel. ‘Tegen de overmacht der feiten in’, om een gevleugeld woord van Oosterhuis te citeren. Zo zegt Johannes – in bijna dichterlijke bewoordingen: ‘Het Woord is mens geworden en heeft bij ons gewoond, vol van goedheid en waarheid, en wij hebben zijn grootheid gezien, de grootheid van de enige Zoon van de Vader.’ (Johannes 1, 14) Typische Johannes-taal – toegegeven, niet altijd even gemakkelijk toegankelijk – waarmee de evangelist uitdrukking geeft aan zijn overtuiging dat die verre, onbegrijpelijke God niet op afstand blijft. In Jezus – zo zegt Johannes – is het Woord van God mens geworden. Komt God ons rakelings nabij. Jezus als gelaat van God. Licht uit Licht.

Licht. Hier in onze kerk. Thuis of elders. Een kaars die aandachtig wordt ontstoken. Mensen hechten aan rituelen. Ze geven houvast in een wereld die voortdurend in beweging is. In beweging – of in verwarring. Ook dat laatste. Want van 2016 kun je veel zeggen, maar niet dat het rustig en onopvallend – als een kabbelend beekje – is voorbijgegaan. Oorlog en geweld – ver weg en dichtbij – blijven beeld- en nieuwsbepalend. Gruwelijke moordpartijen – in naam van God (of beter: met een beroep op diens naam), aanslagen in Parijs, Berlijn en elders, het zijn gebeurtenissen die voorgoed in ons collectieve geheugen liggen opgeslagen. En dan die wereldwijde financiële crisis, die – als we hen die het weten kunnen mogen geloven – inmiddels over haar hoogtepunt heen zou zijn. Hoe dan ook, velen – dat staat vast – zijn er in meerdere of mindere mate door getroffen. En de effecten ervan werken zeker nog een tijdje na.

De laatste dagen ben ik gedachten bezig geweest met de vraag wat ik u (en mezelf) – juist in deze wereld en deze tijd – vooral toewens. Vrede. Een open deur, wat mij betreft. Gezondheid. Ook dat. In mijn werk als ziekenhuispastor word ik dagelijks geconfronteerd met de broosheid van het menselijk bestaan. Ziekte en dood maken geen onderscheid tussen jong en oud. Ik wens u sterkte toe – bij het verlies van die mens die je zo lief was. Draag-kracht – na een verbroken relatie. Geloof, hoop en liefde. De vervulling van je diepste dromen. Ja, dat alles – en nog veel meer.

Toen ik – een week geleden – bezig was met het uitpakken, uitklappen en opzetten van de kerstboom – en met het inrichten van de kerststal, werd ik – wat mijn wensen-pakket betreft – op een nog ander spoor gezet. Voor wie het niet weet: mijn kerststal is er een van het ouderwetse soort. Een houten stal met een rieten dak. Compleet met hooizolder en gereedschap aan de muur. Samen met het rotspapieren landschap, het obligate mos en wat ander groen vormt het – naar mijn bescheiden mening – een perfecte bühne voor de uit gips gegoten spelers die van oudsher het kerstverhaal bevolken. Jezus, Maria en Jozef worden geflankeerd door de os en de ezel. Vier herders en een hond ontfermen zich over een kudde van maar liefst vijf schapen. Verborgen werkloosheid is blijkbaar van alle tijden … De engel hangt wat onhandig in den hoge, aan het dak van de stal – met een haakje in zijn rug, maar verkondigt desondanks, met een volharding die respect afdwingt, de blijde boodschap van Jezus’ geboorte: ‘Eer aan God in den hoge!’ – of, zoals mijn puberneefje het zegt: ‘Made in heaven!’ De drie wijzen uit het Oosten staan – zoals het hoort – nog wat onwennig op de achtergrond en klauteren, in het gezelschap van een kameel, door het rotspapieren gebergte moeizaam naderbij. Hun tijd, zo weten de theologisch geschoolden onder ons, moet immers nog komen. Een heel traditioneel, lieflijk tafereel – op het kneuterige af – dat mijn bovenbuurman en vriend Jan, protestant in hart en nieren, ooit de uitspraak ontlokte: ‘Prachtig , maar … toch mis ik nog iets.’ Op mijn vraag wat dat dan mocht zijn, gaf hij ten antwoord: ‘Ik zou er nog een treintje doorheen laten lopen ..!’ Een opmerking die onze relatie sindsdien enigszins vertroebeld heeft – en die het oecumenisch

proces in ons dorp ook geen goed heeft gedaan. Maar gelukkig kan ik ook nog bij het OCP terecht.

Maar hoe mijn gewaardeerde bovenbuurman ook over mijn klassiek-katholiek-kneuter-stalletje denken moge, het geniet nog altijd mijn voorkeur boven al die stalletjes die je kant en klaar kopen kunt – speciale aanbieding! – en die je, middels één enkele handbeweging, direct vanuit de doos onder de kerstboom zet. Stalletjes, kerstgroepen dus, waarvan bovengenoemde hoofdrolspelers even vakkundig als onwrikbaar zitten vastgelijmd. Toegegeven, heel efficiënt en tijdbesparend, zeker in vergelijking met het avondvullend geklungel waarvan sprake is als ik mijn boom en stalletje zet. Maar veel beweging zit er niet in. En dat is nu juist zo jammer. Vind ik tenminste.

Als kleine jongen vond ik het heerlijk om onder de boom bij het stalletje te gaan liggen en daar, terwijl ons moeder in de keuken bezig was, lekker weg te dromen. Ik had daarbij de gewoonte om de beelden in en buiten de stal af en toe eens te verplaatsen. Een gewaagde manoeuvre die niet altijd even goed uitpakte, getuige het grote aantal afgebroken hoofden en ledematen, zowel bij mens als dier. Ook en zelfs het kindje Jezus ontsnapte niet aan mijn even kinderlijke als verwoestende vroomheid.

Liggend onder de boom, praktisch in aanbidding aan de voet van het kribje, liet ik mijn kinderlijke fantasie de vrije loop – en bedacht ik allerlei spannende dan wel vrome verhalen. Wat dan telkens een nieuwe opstelling van de beelden met zich meebracht. Een en ander leidde wel eens tot chaotische taferelen, maar – ‘Ieder nadeel hep zijn voordeel’ – juist het feit dat het ging om losse beelden gaf ruimte aan mijn creativiteit. Wat in het geval van vaste beelden niet of nauwelijks meer het geval is. Vaste beelden zijn misschien gemakkelijk in gebruik, maar dodelijk voor elke vorm van creativiteit.

En dat brengt me dan bij datgene wat ik u en mezelf voor 2017 – en voor daarna – verder nog toewens: dat we beweeglijk, soepel en flexibel blijven. Dat we niet vastroesten. Niet blijven steken in al te vaste beelden. Dat we – juist in een tijd als de onze waarin oude ‘zekerheden’ en masse lijken te verdampen – niet zwichten voor de (overigens begrijpelijke) verleiding te menen dat het vroeger allemaal beter was. U weet wel: die goeie ouwe tijd waarin je tenminste ‘nog wist waar je aan toe was’. Waar alles nog ‘duidelijk’ was en ‘vastlag.’ Vast-lag. Inderdaad, even vast en onbeweeglijk als die beelden in zo’n kant en klare prefab-stal. Maar zo is het leven niet. Het leven ligt nu eenmaal niet vast. Het is – zoals de Oude Grieken al wisten – voortdurend in beweging: παντα ρει και ουδεν μενει: ‘Alles stroomt en niets blijft …’ Of het nu gaat om het leven van de mensheid in haar totaliteit, of om dat ene korte leven van u en mij. Dat leven waarvan we soms – overmoedig als we zijn kunnen – menen dat het ‘maakbaar’ zou zijn. Oog in oog met wat ons ‘overkomt’ (een veelzeggende term in dit verband) moeten we echter vaststellen dat het leven ons vooral vragen stelt – meer dan wij ooit zullen kunnen beantwoorden. Dat gegeven te accepteren, uit te houden, en tegelijkertijd het leven in al zijn weerbarstigheid te omarmen – dat vraagt om moed. En ook die staat hoog op mijn lijstje van goede wensen. Moed. De moed om – kome wat komt – in beweging te blijven. De moed om mijn verleden mijn verleden te laten. Oude wonden de kans te geven om te helen. De moed om me niet krampachtig vast te klampen aan ideeën en opvattingen die zich in de loop van de tijd in mijn hoofd hebben vastgezet. En die ik niet graag of gemakkelijk loslaat. Ideeën met betrekking tot samenleving, kerk en politiek – en niet in het minst met betrekking tot mijn naaste – ook en met name de naaste die van elders afkomstig is. Nogmaals, vastliggende beelden lijken in eerste instantie aantrekkelijk – juist in de suggestie van veiligheid en duidelijkheid. Wij hier, zij daar. Autochtoon, allochtoon. Onze cultuur en die achterlijke cultuur daarginds. Duidelijkheid is – en, nogmaals, we kunnen het begrijpen – een aantrekkelijk gegeven in een tijd van verandering, verwarring, onzekerheid en angst – iets waarop door nationalistische, populistische en xenofobe bewegingen, in binnen- en buitenland, even graag als handig wordt ingespeeld. Maar uiteindelijk – we kennen toch onze geschiedenis – zal dit denken de dood in de pot blijken te zijn. Waar mensen als minderwaardig worden weggezet – en tegen elkaar worden uitgespeeld en opgezet, is het wachten op de catastrofe. Of … brengen we de moed op om ons leven niet door angst te laten bepalen? Ook en met name de angst voor de mens die zo anders is of lijkt dan ik. Angst die ik – vaak onbewust – overschreeuw achter een muur van vooroordelen en eigenwaan. Een muur waarachter ik veilig meen te zijn. Een muur die de ander weliswaar buiten de deur houdt – maar tevens mijzelf gevangen zet.

Tenslotte. Terug naar de kerstboom – waaronder nog altijd dat kind ligt te dromen. Zoals alleen een kind dat kan. Het heeft zojuist de deur van de stal wagenwijd opengezet. Buiten is het koud – getuige de kunstsneeuw op het dak. Het zal toch niet zo zijn dat al die mensen – die vreemde snuiters uit het Oosten incluis – buiten moeten blijven staan? Nee. Dat kan het kind niet over zijn hart verkrijgen. Daar is het immers kind voor. De hoogste tijd dus voor opnieuw een andere opstelling. De bonte verzameling vormt een lange stoet en zet zich in beweging. Op weg naar de warme stal die plots groter blijkt te zijn dan aanvankelijk het geval leek. Plotseling echter struikelt de oudste herder over het gipsen hondje dat hem geluidloos keffend voor de voeten loopt. Hij had het beestje niet gezien. Zijn ogen worden toch duidelijk minder. Hij heeft zich gelukkig niet bezeerd en wordt door de donkere koning overeind geholpen. ‘Wat een aardige vent’, denkt de oude herder. En nu hij wat dichterbij staat, ziet hij hoe de ogen van de donkere man hem vriendelijk en bezorgd aankijken. En plotseling schaamt hij zich, als hij bedenkt hoe hij tot nog toe altijd angstvallig afstand bewaarde. Je kon immers nooit weten met al dat volk van buiten … ‘Een geluk bij een ongeluk’, bedenkt de herder ineens. ‘Een mens is nooit te oud om te leren. Ik blijkbaar ook niet’ En ik denk dat hij gelijk heeft. Het leven is inderdaad een zoektocht. Een weg van vallen en opstaan. En vallen en opstaan. Een weg waarop regelmatig oude beelden – soms heel dierbaar en vertrouwd – aan diggelen kunnen vallen. Maar soms ook moeten vallen. Om plaats te maken voor nieuwe. Niet altijd een gemakkelijke weg. Maar het scheelt al veel, heel veel, als je af en toe eens mag steunen op iemand die met je meetrekt. En ook dat laatste wens ik u en de uwen van harte toe.

Een zalig, een gezegend kerstfeest –

licht, heel veel licht over 2017 –

en het vermogen om te blijven dromen

als dat kind onder de boom …

Dat het zo zijn moge. Amen.