Advent als levenshouding

Tweede zondag van Advent, B-jaar
Stevenskerk, 7 december 2014
Lezingen: Jesaja 40:1-11; 2 Petrus 3:10-14; Johannes 1:19-28
Het is vlakbij, maar je ziet het nog niet. Je herkent nog geen gezicht. Het is niet meer dan een vermoeden. De trilling van een verwachting. ‘Midden onder u staat hij die gij niet kent.’ Je kijkt de kring rond. Je kijkt door de dagen van je leven.  Je speurt in de wereld, waarin zoveel verschrikkelijks gebeurt. Je staat in de rij voor de kassa bij Albert Heijn. Je kijkt rond in de volle treincoupé. Midden onder al die mensen, bij alles wat gebeurt, is hij aanwezig. Maar de contouren zijn niet duidelijk. Er tekent zich nog geen gestalte af. Via welke ogen kijkt hij mij aan?
Advent is het vermoeden, het aftasten, het openhouden. Advent is veel meer dan de voorbereiding op Kerstmis. Advent is niet alleen de voorbereiding op de gedachtenis van wat ooit gebeurde. Advent is een levenshouding. Advent is willen weten dat het altijd weer komt. En dat het vlakbij is. Het is er al en het komt. Het was er al, maar het komt opnieuw. Advent is wat je proeft in de tweede Petrusbrief: het besef dat een wereld voorbijgaat, dat een cultuur ten einde loopt, dat een oude beschaving het gaat begeven. De wereld scheurt, de cultuur rafelt, wij worden onzeker. Maar er is iets ongelooflijk nieuws vlakbij. Het nieuwe tekent zich niet duidelijk af, wij hebben niet helder waar het met onze wereld en onszelf naartoe gaat. Maar in de pijn en de onrust roept er iets als een belofte, zingt er iets van vrede. In de liturgie van de kerk vangen wij dat hoopvolle op. Wij delen vrede, alsof het allemaal al goed is. Wij lopen op wat komt vooruit. Wij haasten ons tegemoet naar wat komt. Wij lopen ons vrij om het nieuwe van God te ontvangen. Wij dopen Jeanne.
Dopen gebeurt aan de rand. In de Jordaan, bij Bethanië. Op de grens tussen woestijn en beloofde land. Bethanië betekent ‘huis van de arme’. Wie gedoopt wordt, maakt zich arm. Plaatst zich op de plek waar alles opnieuw begint. In de doop ga je tegemoet hem die komt. Gedoopt worden betekent: nu ga ik hem levenslang tegemoet, hem die vlakbij is, die rondom mij is, die zich verborgen houdt in medemensen om mij heen. Midden onder hen staat hij. Zodat ik vol verwachting op mijn medemens toeloop. Zodat ik probeer haar blik te vangen, zodat ik hem aankijk en groet en vrede wens. Gedoopt worden is je bekleden met de schitterende houding van de verwachting.
Onze hoop wordt gewekt door de stem die wij opvangen als wij liturgie vieren. Er klinkt een stem. Die stem gaat zomaar verloren in het dagelijks tumult. Maar de plek waar Advent wordt gevierd en gedoopt wordt, is ruimte om te horen. Je kind ten doop houden, betekent dat je je kind op weg wilt helpen om de stem te kunnen horen. Je kind moet leven midden in de wereld, maar je wilt dat het opengaat voor wat die wereld nieuw wil binnenkomen, voor wat in het leven van je kind nieuw wil binnenkomen. Je wilt dat het de stem hoort, waardoor je kind het leven vindt, zijn identiteit vindt.
In de lezing uit het profetenboek Jesaja en uit het evangelie klinkt die intrigerende stem, die roept. Die ons allen naar voren roept, die maakt dat wij gaan vertrouwen dat, wat er ook stukbreekt, toch alles open ligt. Dat belangrijker dan wat voorbijgaat is wat komt. Dat beslissender dan wat wij kwijt zijn is wat verborgen wacht.
Johannes de Doper is stem. Een zuivere stem. In de andere evangeliën zien wij hem met een kameelharen mantel en een leren gordel, maar in het evangelie van Johannes heeft hij niets om het lijf. Hij is alleen maar stem. Wie ben jij, stem? Ben jij de messias? Of de Elia? Ben jij de profeet? Ik ben niet, antwoord Johannes. Hij zegt iets totaal anders dan wat wij doorgaans plegen te zeggen. Wij zijn tamelijk goed in ‘ik’ zeggen. ‘Ìk ben…’. We leren het onze kinderen al, om te geloven in zichzelf, om zichzelf vooral als ster te zien, als idool. Maar Johannes begint te zeggen: ik ben het allemaal niet. Johannes staat afgepeld, zuiver, stem te zijn die verwijst. Alsof het grootste is dat jij van je af weet te wijzen, dat jouw leven de kant op roept van iets dat groter is dan jij. Dat je leven stem geeft aan wat komt.
De smetteloosheid waartoe de tweede Petrusbrief oproept, heeft te maken met de helderheid van het verlangen. In een economie die ons van alles aansmeert, een ego-cultus van dikdoenerig gedrag, hier een pleidooi voor werkelijk verlangen, dat op ons alledaagse leven en op onze financiële bestedingen een zuiverende werking heeft. De tweede Petrusbrief is waarschijnlijk het jongste stukje Nieuwe Testament, uit ergens begin tweede eeuw. De kerk is dan nog een minderheid in een decadente cultuur. De kerk groeit evenwel, tegen de verdrukking in. Waarom? Om het aanstekelijke van haar verlangen. Om het stijlvolle leven dat vanzelf bij het verlangen hoort. Om de open levenshouding waarmee ze elke dag het nieuwe nabij weet. Om het respect dat ze haar medemens betoont, omdat ze weet dat hij die komt er al is, ergens verscholen tussen de mensen die je dagelijks tegenkomt. Stijlvol leven, met allure — dat ga je leren als je luistert naar de stem. Naar de stem die niets om het lijf heeft, maar in ons de vreemde vrede legt van de verwachting. Vrede maar ook een vreugdevolle haast: de haast om dag in dag de nieuwe wereld te helpen bespoedigen, het moment te grijpen waarop je stem en vorm kunt geven aan de hoop.
Moge dan het speurende kijken van de Advent helder en intens in ons worden. Moge hoop zich nestelen in wat we zeggen en doen. Mogen wij uit grauwheid en cynisme, uit ongeloof stralend te voorschijn komen. Ons ik afgestript: ik ben niet wat je denkt, ik laat me geen groot ego meer aanpraten, ik verwijs, het is mij genoeg stem te zijn, een beetje een zuivere stem, hoop ik, die mijzelf en deze wereld en het leven van medemensen open houdt.