4e zondag veertigdagentijd/Laetare, ‘Een feestmaal voor verloren zielen’, Jesaja 66,10-14 [NBV}, Lukas 15, 1-2 + 11-32[Oosterhuis/van Heusden]

Jan van Hooydonk, Oecumenisch Citypastoraat, Nijmegen,
31 maart 2019,

Zusters en broeders,
Aan de basis van het evangelie dat wij zo-even hoorden, ligt een conflict. Jezus gaat om met tollenaars en zondaars, zo hoorden we, hij eet met hen. De Farizeeën en Schriftgeleerden slaan dit morrend gade. Farizeeën en Schriftgeleerden zijn hoeders van de heersende morele en religieuze orde. Zij vinden dat Jezus door zijn omgang met de outcasts van de samenleving die orde schendt. Farizeeën en Schriftgeleerden houden zich nauwgezet en plichtsgetrouw aan de religieuze en sociale voorschriften, zij beschouwen zichzelf daarom als rechtvaardigen. Zij hebben het gevoel dat Jezus hen niet de eer geeft die hun naar hun eigen idee toekomt. Hij ondergraaft door zijn verkondiging en gedrag de maatschappelijke status quo en de positie van de zelfbenoemde hoeders daarvan.
De woede en weerzin van zijn tegenstanders zijn té groot, zo beseft Jezus. Een redelijk gesprek met hen zit er niet in, argumenten zullen niet helpen, een discussie zal de zaak alleen maar erger maken. Jezus kiest dus in zijn reactie voor een retorische omweg. Hij vertelt tot driemaal toe een verhaal, een gelijkenis. Zo poogt hij zijn tegenstanders op een ander been te zetten, hun ogen te openen voor een ander perspectief. We stuiten hier op een wezenstrek van het Evangelie: het Evangelie stelt onze vanzelfsprekendheden im Frage, wil ons op een ander been zetten, wil onze ogen openen voor een ander perspectief.

De drie gelijkenissen die Jezus in Lukas 15 vertelt, gaan alle drie over wat verloren was en over de vreugde van het
terugvinden van het verlorene. Alle drie lopen ze uit op een feest.
De eerste gelijkenis is die over een herder die honderd schapen heeft, één schaap raakt zoek, het wordt weer teruggevonden. Moraal van deze gelijkenis, zo zegt het Evangelie: “Er zal in de hemel groter vreugde zijn over één zondaar die tot inkeer komt, dan over negenennegentig rechtvaardigen die geen omkeer nodig hebben.”
De tweede gelijkenis gaat over een vrouw die tien drachmen heeft maar ééntje raakt kwijt. Die vrouw doet alle moeite om die ene drachme terug te vinden. Wat een vreugde, wat een feest wanneer zij het verloren muntstuk weer vindt! “Ik zeg je, zo ook zullen Gods engelen zich verheugen over één zondaar die tot omkeer komt.”
En dan volgt de derde gelijkenis – de gelijkenis die wij op deze zondag Laetare horen – de gelijkenis die meestal ‘de parabel van de verloren zoon’ genoemd wordt. Maar, zusters en broeders, dan is meteen wel de vraag wie van de twee zonen in dit verhaal met recht ‘verloren’ genoemd moet worden…

Laten we deze parabel eens wat nauwkeuriger bekijken. De parabel gaat over twee zonen, en over hun vader. De gelijkenis ontvouwt zich als een familiedrama in twee bedrijven. In het eerste bedrijf staan de jongste zoon en zijn vader centraal. Zij raken elkaar helemaal kwijt. De jongen vertrekt naar een ver land, vader en zoon verliezen elkaar dus letterlijk uit het oog. We kennen allemaal wel van zulke verhalen over de verwijdering tussen ouders en kinderen. Misschien hebben we zelf wel eens zoiets meegemaakt. Buitengewoon pijnlijk en verdrietig!
Toen de jongen nog thuis woonde, deelde hij in de rijkdom van zijn vader, maar in dat verre land raakt hij aan de bedelstaf. Dus ook in economisch opzicht komen vader en zoon elk aan de andere kant van de streep terecht. De jongen ziet zich gedwongen om varkens te hoeden en mee te eten uit hun trog. Maar, zo weten we, varkens zijn voor joden taboe, het zijn onreine dieren. Ook in religieus opzicht raken vader en zoon elkaar helemaal kwijt.
Laten we er geen doekjes om winden: de jongste zoon zit en doet hartstikke fout. Hij is zogezegd helemaal van het padje. In bijbelse taal: hij is een zondaar, dat wil zeggen: iemand die is afgedwaald van de weg die naar bevrijding voert. Máár geldt dan: eens een zondaar altijd een zondaar? Kan een zondaar zich ook omkeren van zijn weg, kan zo iemand zich bekeren? Staan we hem of haar dat toe? En: is er heling mogelijk voor de fouten die wijzelf mogelijk hebben begaan – want wij zijn toch ook niet zonder zonden?
Bij de beantwoording van deze vragen scheiden zich de wegen van Jezus aan de ene kant en de Farizeeën en de Schriftgeleerden aan de andere kant. Jezus en zijn tegenstanders verschillen niet van mening over het bestaan van de zonde en van de zondaren. Ook Jezus ziet zondaren als mensen die ‘verloren’ zijn, maar het grote verschil tussen Jezus en zijn tegenstanders is dit: anders dan zij gelooft Jezus hartstochtelijk dat wie ‘verloren’ is, ook weer ‘gevonden’ kan worden! Dat immers is Jezus’ missie: hij is gekomen om te vinden en te redden wie verloren zijn. Hij gelooft in de mogelijkheid van hun en onze bekering. Jezus zet zijn kaarten niet op vergelding maar op vergeving en resocialisatie.
Hier ligt ook voor ons een beslissende keuze. Misschien denken we zelf wel eens dat we ‘aan de goede kant’ zitten. Dat zou toch zomaar kunnen: dat we denken aan de goede kant te zitten? Maar ís dat wel zo? vraagt Jezus ons vandaag. Zitten we wel écht aan de goede kant? Helpen wij – wij gelovigen, wij christenen, wij progressieven – werkelijk mee om te redden wie en wat in deze wereld verloren zijn?
Je kunt deze vraag ook van de andere kant benaderen: we weten natuurlijk best dat we niet altijd aan ‘de goede kant’ zitten. Betekent dat dan dat we onszelf moeten beschouwen als mensen die definitief verloren zijn? Nee, zo zegt het Evangelie ons vandaag: geen mens is definitief verloren, ook ik niet, ook jij niet, wij worden gevonden. Want zo is God: een moeder die voor haar kind zorgt – wij hoorden dat in de eerste lezing uit de profeet Jesaja. Want zo is God: een vader die door ontferming wordt bewogen – wij hoorden dat in de lezing uit het Evangelie.

De jongste zoon in de parabel is ten prooi aan zelfverwijt en vertwijfeling. Zelfs zegt hij dat hij het niet meer waard is om ‘zoon’ genoemd te worden. Zijn vader ziet dat geheel anders: hij wordt tot in zijn binnenste geraakt door de aanblik van deze verwarde jongen en richt prompt een groot feest aan om zijn terugkeer te vieren. De jongste zoon mag dan verloren heten, uiteindelijk wordt hij weer gevonden.
Geldt dat ook voor zijn oudste broer? Daarover gaat het in het tweede bedrijf van het familiedrama dat zich vandaag voor ons ontvouwt. De oudste zoon blijkt woedend te zijn over de feestelijke ontvangst van de jongste. Hij voelt zich hevig tekort gedaan. Is hij niet altijd de braafste geweest? Heeft hij niet altijd zijn plicht gedaan? Hij beschouwt de jongste zoon niet langer als zijn broer. ‘Deze, uw zoon’, noemt hij hem tegenover zijn vader. Hij voegt aan zijn verwijt dan nog maar meteen een insinuatie toe – een insinuatie van het soort dat het ook vandaag nog altijd goed doet: “Deze hier, uw zoon, die uw have en goed met hoeren verbrast heeft, is teruggekomen, nu slacht u voor hem het gemeste kalf.” Dat zijn vader voor deze flessentrekker en seksuele spookrijder een feest aanricht: nee, de oudste zoon kan daar werkelijk niet bij.
Laten we er geen doekjes om winden: niet de jongste zoon maar de oudste zoon is in deze parabel ten diepste verloren. Hij mag dan zichzelf als rechtschapen zien, hij weet zich niet te verplaatsen in wie in zijn ogen in de fout zijn gegaan. Alles wat hij doet, doet hij uit plichtsbesef. Hij laat zich graag op dat plichtsbesef voorstaan. Stiekem meent hij zo beter te zijn dan anderen. Hij doet zijn naasten goed, maar hij doet dat niet zonder bijbedoeling: Hij doet goed om door zijn medemensen geprezen te worden. Hij doet goed om zijn profiel op LinkedIn op te pimpen. Zijn wereld draait uiteindelijk om zichzelf, niet om de ander. Dit is wat hem ontbreekt: hij mist barmhartigheid en vergevingsgezindheid, hij mist liefde

Is het Jezus nu gelukt om met deze parabel de Farizeeën en Schriftgeleerden op een ander been te zetten, hen de ogen te openen voor een ander perspectief? Wij weten uit het verdere verloop van het Evangelie dat het antwoord op die vraag helaas nee is. Lukt het Jezus dan wél om ons, de hoorders van het Evangelie, met deze parabel op een ander been te zetten, ons de ogen te openen voor een ander perspectief? Het antwoord daarop is aan mij, aan u, aan ieder van ons.
Maar dít is wel wat de vader intussen ook tot óns zegt: “Wij moeten feestvieren en ons verheugen want deze hier, jouw broer, was dood en is levend geworden, hij was verloren en is gevonden.”
Wij delen zo dadelijk met elkaar Brood en Wijn, teken van hem die zijn leven geeft voor allen die verloren zijn, teken van hem die door God, zijn barmhartige vader, is gevonden en in ons leeft. Dit, zusters en broeders, is wat onze Maaltijd voor ons ten diepste is: een feestmaal voor verloren maar gevonden zielen. Laat dit dan ons gebed zijn: dat ook wij nu gevonden