Valse profeten en de dienst aan God en de mensen

Valse profeten en de dienst aan God en de mensen

 

Preek in het OCP, op zondag 6 augustus 2017, Stevenskerk, Nijmegen

Lezingen: Jer. 7,2-7 en Mt 7,15-21

 

Tegen het einde van zijn bergrede houdt Jezus een donderpreek aan het adres van zijn leerlingen en volgelingen – dus ook tegenover ons. Jullie moeten je hoeden voor valse profeten, want ze brengen slechte vruchten voort. Het gaat om mensen die zich tooien met de naam van de Heer, maar wat ze doen staat kennelijk ver af van de boodschap van Jezus’ bergrede. Daarom moeten wij hen mijden.

         Het komt een beetje bevreemdend over, deze donderpreek. Er zijn toch tal van voorbeelden in het evangelie van mensen die nog minder ‘van het houtje zijn’, denk aan de Syro-Fenicische vrouw (Mc 7,24-30) die gelooft in de heelmakende kracht van Jezus ten behoeve van haar dochter, of aan de Samaritaanse vrouw aan de bron (Joh. 4,1-42) die in Jezus de Messias herkent, of aan de barmhartige Samaritaan die zich bij uitstek als de naaste betoont (Lc. 10,25-37). Allemaal vreemden, mensen die wat geloof, riten, gewoonten en wetten betreft niet bij het Joodse volk en ook niet bij de volgelingen van Jezus horen. Niettemin herkent Jezus in hen dat ze nog meer dan de eigen geloofsgenoten zich verplicht weten aan Wet en Profeten, aan het dubbelgebod van de liefde. En deze buitenstaanders hebben misschien nog eerder dan de eigen volgelingen door dat er in Jezus heil van Godswege te vinden is. Het evangelie is eerder inclusief dan exclusief. Ook de vreemden horen erbij. Waarom waarschuwt Jezus dan voor hen, die van binnenuit of van buitenaf komen aanzetten en die optreden in naam van de Heer? Waarom zijn zij een gevaar?

         De slotzinnen van het evangelie geven al een indicatie. “Alleen degenen die de wil van mijn hemelse Vader doen gaan het koninkrijk van de hemel binnen” (7,21). Jeremia zegt het in de eerste schriftlezing nog duidelijker: “Als jullie werkelijk je leven beteren, als jullie elkaar rechtvaardig behandelen, vreemdelingen, wezen en weduwen niet onderdrukken […], dan mogen jullie blijven wonen in dit land. Het is niet voldoende om te roepen: dit is de tempel van de heer, de tempel van de Heer! (Jer. 7,5-7; 7,4).” Want dat is maar een al te gemakkelijk voorwendsel om je te verzekerd te achten van Gods heil. Er is geen godsdienst die geen dienst aan de mensen is. Elders zegt de profeet Jesaja het zo: “Houd op met zinloze offergaven.[…] Vermijd alle kwaad, zoek het recht, houd tirannen in toom, bied wezen bescherming, sta weduwen bij (Jes 1,13.16-17).

         Jesaja, Jeremia en Matteus willen duidelijk maken dat geloof zonder daden van liefde en gerechtigheid niets waard is (Jac. 1,23). En een verkondiging in de naam van God die uiteindelijk alleen maar de meerdere eer en glorie van de verkondiger op het oog heeft, maakt duidelijk dat hier een valse profeet aan het woord is. Ware godsdienst is geen goedkoop entreebewijs voor de verlossing, het aanroepen van Gods naam geen garantiebewijs op bevrijding. En ware godsdienst stelt altijd de A/ander centraal: de liefde tot God, en de liefde voor de weduwe, de wees en de vreemdeling zijn niet los van elkaar verkrijgbaar. Ware godsdienst is naar de opvatting van de joodse en christelijke overlevering vervuld van een liefde die zichzelf niet zoekt.

         Lezen we het evangelie tegen de achtergrond van de huidige tijd en samenleving, dan lijken de waarschuwingen van Jezus aan het adres van zijn leerlingen en volgelingen actueler dan ooit. In de religieuze en politieke wereld komen we veel leiders tegen die het niet te doen is om het welzijn van de mensen, maar alleen aan de weg timmeren omwille van de meerdere eer en glorie van zichzelf. En er zijn er – de populisten voorop – die die roem nastreven door anderen – meestal de vreemdelingen – tot zondebok van alle kwaad te maken. Hier is slechts liefde die zichzelf zoekt of die anderen wegzet. En zijn we dus heel ver verwijderd van de echte dienst aan God en aan de mensen. Aan valse profeten geen gebrek.

         Maar er is nog een andere valse profetie, een die vanzelfsprekend lijkt en alomtegenwoordig is. Om staande te blijven in het eigen leven en in de eigen loopbaan en levensloop, leren we in onze cultuur en samenleving en in ons economisch bestel dat we voornamelijk bestaan omwille van ons eigen individuele succes en horen we voortdurend dat dat succes uitsluitend afhangt van onze eigen inspanning, van onze eigen planning. En de mislukking van dit alles is alleen te wijten aan eigen falen. We leren ons eigen leven te leiden dat geheel en al gewijd is aan zichzelf. Het is dit individualisme van vandaag dat als een valse profeet rondwaart en dat mensen toeroept dat ze slechts op zichzelf teruggeworpen zijn. Een valse profetie die wel heel ver afstaat van echte godsdienst, van echte dienst aan God en aan de mensen en hun geluk.

         Ik vraag me wel eens af wat toch voor een kruid er gewassen is tegen deze ideologie. Een krachtig maatschappelijk en cultureel protest, een scherpe morele afwijzing, zoals in de jaren 60 en 70? Maar wat is de houdbaarheidsdatum van protesten en afwijzingen? Hoelang blijven die aantrekkelijk? Als er een alternatief is, dan moet dat toch uit zichzelf aantrekkelijk zijn, omwille van zijn eigen positieve kracht? Zelf put ik dit alternatief uit het grondbesef van de joodse en christelijke geloofservaring dat de mens door God gekend en bemind is – denk aan de middeleeuwse minnemystiek. Deze ervaring is doordrenkt van het besef dat ons leven uiteindelijk geschonken is en wortelt in het geheim van God. Of zoals de psalmist het in Psalm 139 zegt: “U was het die mijn nieren vormde, die mij weefde in de schoot van mijn moeder. Ik loof U voor het ontzaglijke wonder van mijn bestaan, wonderbaarlijk is het wat U gemaakt hebt. Ik weet het tot in het diepst van mijn ziel.” (Ps 139, 13-14). Zelf beschouw ik dit Godsbesef als de diepste motivatie tot een echte en geloofwaardige dienst aan God en de mensen, tot het doen wat Wet en Profeten van ons vragen. Immers wie zich door God gekend en bemind weet, wil deze kennis en deze liefde delen en kan niet anders dan zich naar God en de mensen toewenden. Zo iemand neemt afscheid van het streven naar eigen roem, van het aanwijzen van zondebokken, ja van een leven dat in zichzelf besloten blijft als een heroïsch en tragisch eenzaam avontuur. Wie zich echt door God gekend en bemind weet, voor zo iemand verdwijnen de valse profetieën als sneeuw voor de zon. Zo iemand heeft – naar een beroemd woord van Augustinus – lief en doet vervolgens wat hij of zij wil, zonder dat het ooit mis kan gaan.

 

Moge het zo zijn

 

Leo Oosterveen o.p.