2 april 2017, ‘De zondag van de confrontatie’.

Jan van Hooydonk, Oecumenisch Citypastoraat, Nijmegen,

2 april 2017, ‘De zondag van de confrontatie’, (Exodus 14[Oosterhuis/Van Heusden], Johannes 8, 46-59 [Nieuwenhuis]). Zondagslied: Nieuw Liedboek 943).

 

Zusters en broeders,

Twee weken nog te gaan naar Pasen. In de rooms-katholieke traditie staat deze zondag bekend als Passiezondag. Vanaf deze zondag tot Pasen was in mijn jeugd het kruisbeeld voorin de kerk bedekt met paarse doeken. Ook de beelden van de heiligen, inclusief het beeld van Maria, de Moeder Gods, waren bedekt met paarse doeken. Paars: die kleur staat in de liturgie voor het lijden. Geheel in paars gehuld nodigde het kerkgebouw de gelovigen uit om zich, zoals dat heette, ‘te vereenzelvigen met het lijden van de Heer’. Geheel in paars gehuld dwong het kerkgebouw ons om de werkelijkheid van het leven onder ogen te zien en de confrontatie aan te gaan met het lijden. Het lijden van Jezus en daarmee ook het lijden van deze wereld en ons eigen lijden.

In een andere, protestantse en ook oecumenische, traditie heet deze zondag ‘zondag Judica’, naar de eerste woorden van Psalm 43: ‘Verschaf mij recht, o God, vecht voor mijn zaak. Bescherm mij tegen een liefdeloos volk, vol list en bedrog’. ‘Zondag Judica’: ook hier is dus sprake van lijden – lijden dat het gevolg is van liefdeloosheid, list en bedrog door medemensen. En ook hier is sprake van een confrontatie. Vandaar de bede: ‘Verschaf mij recht, vecht voor mijn zaak’.

De beide lezingen die vandaag in de liturgie weerklinken – uit het boek Exodus en uit het Evangelie van Johannes – hebben déze gemeenschappelijke noemer: zij vertellen ons over een confrontatie. En daarmee vragen zij ons om een keuze te maken. Want wij lezen in de liturgie niet uit de Schrift omdat we op zoek zijn naar hoe het eens was, maar we zijn op zoek naar de betekenis van deze verhalen voor ons vandaag, voor ons hier en nu. Welke keuzes gaan wij, welke keuzes gaat u, ga jij, ga ik maken? Dát is vandaag de vraag.

De lezing uit Exodus vertelt ons over de doortocht van ‘de kinderen van Israël’ door de Schelfzee. We hoorden het: Opnieuw scheidt God water en aarde – zoals Hij dat eens deed op de derde scheppingsdag – en opnieuw brengt hij zijn volk op het droge. ‘Water’ staat in het bijbelse taalgebruik voor onheil, chaos, ongeluk. ‘Aarde’ staat voor de plaats waar mensen wonen, hun thuis vinden en een samenleving opbouwen.

De doortocht door de Schelfzee gaat gepaard met een confrontatie tussen de Eeuwige en de Farao. De leider van Egypte meent te strijden tegen ‘de kinderen van Israël’, maar zijn eigenlijke tegenstander is volgens het verhaal toch de God van Israël en niet het joodse volk.

De rol van dat volk blijkt in dat verhaal namelijk weinig glorieus te zijn. Achtervolgd door de legers van Farao ‘schreeuwden ze naar de Eeuwige’, zo hoorden we. Ze schreeuwden als mensen die zich al bij de nederlaag hebben neergelegd. “Laat ons maar Egypte dienen – het is beter Egypte te dienen dan te sterven in de woestijn”, zo klagen ze. De Eeuwige had hen bevrijd uit de slavernij en een nieuw leven als vrije mensen geschonken, maar ze deinsden terug voor de consequenties. Ze konden toen het erom spande, hun vrijheid niet aan, ze leverden hun zelfrespect en menselijke waardigheid in en kozen voor de veiligheid en zekerheid van het slavenbestaan.

Liever slaaf dan dood. Zie daar de keuze die dit verhaal uit Exodus ons voorhoudt: kies je voor slavernij, voor de vermeende zekerheden van vroeger, of voor de toekomst, voor het land dat weliswaar aan jou beloofd is maar dat je nog niet hebt gezien? Waarvoor kiezen we in de politiek, waarvoor kiezen we als samenleving, waarvoor kiezen we in ons persoonlijke leven? Durven we onze van God gegeven vrijheid wel aan?

“Egypte dienen is sterven. De Heer dienen is leven”, zo las ik in een commentaar op dit verhaal uit Exodus. Zeker! Zo is het! Maar niemand hoeft te denken dat deze keuze eenvoudig is. En je moet niet hard over jezelf of over anderen oordelen wanneer deze keuze niet altijd meteen helder is of wanneer jijzelf of iemand anders soms op zijwegen of dwaalwegen terecht komt.

En wat trouwens ook niet moet, is je vrolijk maken over anderen die verkeerde keuzes maken en dat zelfs met de dood bekopen. Farao’s leger werd verzwolgen door het water. Die morgen “zag Israël Egypte, dood op het strand van de zee”, zo hoorden we. Volgens een later joods commentaar hieven de engelen in de hemel een danklied aan toen Egypte was verslagen. Maar, zegt diezelfde midrasj, God was daar niet blij mee. God verweet de engelen hun gezang. “Het werk van mijn hand zinkt naar de bodem van de zee en jullie zingen een lied voor mijn aangezicht?”, zo zei de Eeuwige. Wanneer wij al de juiste keuzes maken, verschaft ons dat dus geen vrijbrief om neerbuigend of met leedvermaak neer te zien op anderen die foute keuzes maken en die daaraan te gronde gaan. ‘Eigen schuld, dikke bult’ is niet bepaald een bijbelse wijsheid.

Wellicht stemden ze op een andere partij dan jij; wellicht stemden ze zelfs op een ‘foute’ partij. Niettemin: Niet minder dan jijzelf zijn ook die anderen het werk van Gods hand.

De lezing uit het Evangelie van Johannes die wij vandaag hoorden, verhaalt over de confrontatie tussen Jezus en zijn tegenstanders. In de meeste vertalingen worden die tegenstanders aangeduid als ‘de Joden’. In feite gaat het hier niet om het joodse volk in zijn geheel – ook Jezus zelf was immers een jood – maar om een bepaalde groep uit het jodendom: aanhangers van een wettisch en zelfgenoegzaam geloof. Mijn dominicaanse medebroeder Jan Nieuwenhuis uit wiens vertaling wij lazen, spreekt daarom niet van ‘de Joden’ maar van ‘de Judeeërs’. Met die term duidt hij de mensen aan die behoren tot wat hij noemt ‘de tempelkaste, de godsdienstige schoolmeesters’.
De confrontatie tussen Jezus en de Judeeërs is buitengewoon fel en scherp. In de passage die vooraf gaat aan het gedeelte dat wij zojuist lazen, zegt Jezus hen: “Jullie zijn uit de duivel als vader en de wensen van jullie vader willen jullie uitvoeren.” De duivel is ‘een moordenaar vanaf het begin’, zegt Jezus. De duivel is ‘de vader van de leugen’, maar hij, Jezus, spreekt ‘de waarheid’, heet het.
In het gedeelte dat wij zojuist hoorden, spitst het twistgesprek tussen Jezus en zijn tegenstanders zich toe op Abraham. Wie is eigenlijk de ware erfgenaam van Abraham? De Judeeërs beroepen zich op hun afstamming van hem, op hun bloedband dus. Jezus en de christenen na hem beklemtoonden veeleer het geloof van Abraham, zijn vasthouden aan Gods beloften. Abraham, Ibrahim, als vader van alle gelovigen. Zo wordt hij gezien door joden en christenen en later ook door moslims. De Eeuwige heeft aan vader Abraham in een visioen de uiteindelijke toekomst geopenbaard, zo staat opgetekend in het boek Genesis. De Eeuwige heeft hem de dag des Heren laten zien, de nieuwe wereld, het beloofde land, de messiaanse tijd (Gen. 15). ”Abraham jullie vader, jubelde om mijn dag te zien, en hij zag hem en hij was verheugd”, zo voegt Jezus in het evangelie zijn tegenstanders toe. “Voorwaar, voorwaar, ik zeg jullie: vóór Abraham geboren werd, ben ik.”

Dit nu is de grondovertuiging waarvan het Evangelie van Johannes zijn hoorders wil doordringen: De naam van de Eeuwige, de God van Israël, is in Jezus uitgesproken ‘vanaf den beginne’. Jezus geeft stem aan God; hij is Gods levende Woord. Vandaar dat Jezus kan zeggen: “Vóór Abraham geboren werd, ben ik.” ‘Ik ben’, dat is ook de naam waarmee de Eeuwige zich volgens het boek Exodus aan Mozes openbaart. ‘Ik ben’, ‘ik ben er met en voor jullie’.

De Judeeërs spreken weliswaar over God, maar zij kennen Hem niet, zegt Jezus. Maar: “als ik zeg dat ik Hem niet ken, zou ik gelijk zijn aan jullie; maar ik ken Hem en zijn woord onderhoud ik.”

Het evangelie van Johannes daagt ons uit om te geloven in Jezus als Gods mensgeworden Woord. Geloven, dat wil in het bijbelse spraakgebruik zeggen: fiducie hebben, vertrouwen in iemand hebben. Geloof in bijbelse en christelijke zin is dus niet je koesteren in een vaag religieus gevoel. Geloof is evenmin de opvatting dat dit of dat het geval is, is geen wetenschap. Maar geloof is vertrouwen, vanuit vertrouwen leven. Geloven is geen theorie, maar praktijk. Jezus heeft Gods woord onderhouden, dat wil zeggen in praktijk gebracht. Hij heeft aan Hem vastgehouden, ook toen hij werd geconfronteerd met, zoals wij zo dadelijk zullen zingen, Gods ‘donkere majesteit’ en met de ‘grondeloze diepten’ van het bestaan. Wij worden uitgenodigd hem hierin na te volgen.
Van de dichter van ons zondagslied, de Engelsman William Cowper, die leefde in de achttiende eeuw, is bekend dat hij leed aan hevige depressies. Hij geloofde verdoemd door God te zijn, meende dat God zijn leven eiste als offer en deed op een kwade dag zelfs een poging om zichzelf van het leven te beroven. Dit gegeven vormt de achtergrond van zijn lied. Indrukwekkend is het slotvers van dit lied: “Hoe blind vanuit zichzelve is het menselijk gezicht. Godzelf vertaalt de duisternis in eindelijk eeuwig licht.”

Nu nog is alles paars. Nu nog leven we in een tijd van confrontatie. Nu nog staan we voor vaak moeilijke keuzes, als samenleving en in ons persoonlijke leven. Maar het wórdt Pasen: “Godzelf vertaalt de duisternis in eindelijk eeuwig licht.”

Zusters en broeders, moge het zo voor ieder van ons worden. Amen.