19 mei 2019, 5ezondag van Pasen/zondag ‘cantate’, ‘Geen liefde zonder ontregeling’, Deuteronomium 6,1-9, Johannes 13,31-35 [NBV]

Jan van Hooydonk, Oecumenisch Citypastoraat, Nijmegen, 

Zusters en broeders,

“Luister, Israël: de Heer, onze God, de Heer is de enige!”, zo klonk het zojuist in de lezing uit het boek Deuteronomium. De Naardense Bijbel vertaalt dit vers zo: “Hoor, Israël! De Ene is onze God, de Ene alleen.” Dit bijbelvers is de eerste regel van de joodse geloofsbelijdenis. De naam van die belijdenis is aan dit vers ontleend: ‘Hoor, Israël’, in het Hebreeuws:‘Sjema Jisrael’.

‘Hoor, Israël! De Ene is onze God, de Ene alleen’. Mozes zegt volgens het boek Deuteronomium over deze woorden: “Prent ze uw kinderen in en spreek er steeds over thuis en onderweg, als u naar bed gaat en als u opstaat.” Nog altijd geven onze broeders en zusters uit het jodendom aan deze aansporing gehoor. Het Sjema maakt elke dag deel uit van hun morgen- en avondgebed. Vrome joden spreken deze belijdenis ook uit in het uur van hun sterven. Joden dragen deze woorden over aan hun kinderen als de kern van hun geloof.

“Deze woorden, draag ze als een teken om uw arm en als een band op uw voorhoofd”, zo gebiedt Mozes in het boek Deuteronomium. Joodse gelovigen vatten dit gebod letterlijk op: wanneer zij bidden, wikkelen zij om hun arm en om hun voorhoofd gebedsriemen waaraan een klein doosje is bevestigd. Dat doosje bevat de tekst van het Sjema Jisrael.
“Schrijf deze woorden op de deurposten van uw huis”, zo beval Mozes. Aan de deuren van hun huizen bevestigen joden daarom een kokertje, de mezoeza, met de tekst van het Sjema. Bij het binnentreden van het huis raken zij deze mezoeza aan of drukken zij daarop een kus. Een teken van eerbied.

De voorschriften uit het boek Deuteronomium over het Sjema en de manier waarop joodse gelovigen met die voorschriften omgaan, laten zien wat wij in onze tijd wel eens vergeten lijken te zijn of waar wij – ikzelf incluis – moeite mee hebben: geloven heeft betrekking op héél ons bestaan, op héél ons leven – ‘vanaf het uur dat we opstaan tot het uur dat we slapen gaan’, zegt de Schrift -, op ál ons doen en laten – ‘spreek er dus steeds over, thuis en onderweg’ -, op ieders persoonlijke bestaan maar ook op ons bestaan als gemeenschap, als volk. De voorschriften over het Sjema maken duidelijk dat geloven pertinent geen deeltijdactiviteit is. Ons geloof belijden doen we niet alleen op zondag in de kerk en ook niet alleen in onze vrije tijd wanneer een religieuze stemming ons overvalt, maar deze belijdenis doortrekt ons hele bestaan. Vanuit de Bijbel bezien is geloof dus niet zomaar een aspect onder vele van onze persoonlijkheid of onze levensstijl. Het is ook niet één van onze interesses, naast andere. Geloven is een permanente daad van vertrouwen die héél onze persoonlijkheid en levensstijl en al onze interesses doortrekt. Tenminste, zo zou het moeten zijn.
“Prent je deze woorden in”, zegt de Schrift. Altijd en overal gelden dus de woorden die ons vandaag worden voorgehouden: ’De Ene is onze God, de Ene alleen’. Op elke tijd en plaats is de vraag die de geloofsbelijdenis van Israël aan ons christenen stelt daarom of wij leven wij in het besef van Gods aanwezigheid. Erkennen wij de God van Israël – die ook de God van Jezus is – in ons bestaan inderdaad als de Ene die werkelijk God genoemd kan worden, als het ultieme principe van ons bestaan? Willen wij met en voor hém alléén leven en sterven? Erkennen we hem als de Enige die waarlijk de naam God verdient? Of houden we er stiekem andere goden op na, onderwerpen we ons aan vreemde machten, aan pseudoprofeten, aan de verkondigers wellicht van het zogeheten ‘gesundenes Volksempfinden’ die onze dagen zo overvloedig bevolken? Vinden we misschien de Bijbel ‘heel inspirerend’ maar onze tijd ‘te complex’ om voluit volgens de bijbelse inspiratie te leven? 
De Schrift stelt zulke vragen aan ons niet op theoretisch niveau – ik betwijfel eigenlijk of de bijbelse auteurs veel belangstelling hebben voor theologische kwesties… – maar op praktisch niveau. Voor de bijbelse auteurs is geloof niet op de eerste plaats een zaak van theoretische overtuigingen en inzichten, maar van handelen.

Het eerste gebod – God boven alles beminnen – is immers volgens de lering van Mozes aan het tweede gelijk: de naaste beminnen als jezelf. Wil je weten óf en wát iemand gelooft, kijk dan naar zijn en haar omgang met medemensen, zegt de Schrift. 

Dat brengt ons bij de tweede lezing, uit het Evangelie volgens Johannes. Ook daar klinkt een woord dat betrekking heeft op ons handelen, op onze praktijk. Jezus zegt daar tot zijn leerlingen: “Ik geef jullie een nieuwgebod: heb elkaar lief.”

‘Een nieuwgebod’: die woorden kunnen gemakkelijk verkeerd verstaan worden – en ze blijken in de geschiedenis ook verkeerd uitgelegd te zijn, met alle verschrikkelijke gevolgen van dien. Nee, Jezus zelf was een jood. Hij heeft geleefd volgens de Thora; hij heeft geleefd volgens de belijdenis van het joodse volk: ‘Hoor Israël! De Ene is onze God, de Ene alleen.’ Hij herhaalde daarbij ook de lering van Mozes: het eerste gebod – God beminnen boven alles – is gelijk aan het tweede: de naaste beminnen ‘want hij of zij is als jij’. Het gaat dus in het evangelie niet om een ‘nieuw gebod’ ter vervanging vaneen ‘oud gebod’. Nee, de kerk vervangt niet de synagoge, Nee, het christendom is op geen enkele wijze  superieur aan het jodendom. Maar waar het bij dit ‘nieuwe gebod’ om gaat, is dat voor christenen het oude, joodse gebod een nieuwe gestaltekrijgt: de gestalte van Jezus. 

Het nieuwe van dit gebod bestaat hierin dat de jonge christelijke gemeente – de gemeente van Johannes – de liefde voor God en de naaste voorgoed verbindt met Jezus, met diens leven en sterven, en uiteindelijk met de liefde die er is tussen Jezus en de Vader. Deze liefde vormt voor de gemeente de norm en het richtsnoer in haar praktijk van de liefde. In de liefde voor de medemens – en speciaal in de liefde voor de minsten onder hen – zijn we als christenen verbonden met Jezus. Waar liefde heerst en vriendschap, daar is Jezus, daar is God.

Geloof is geen deeltijdactiviteit, zei ik naar aanleiding van het Sjema. Het evangelie denkt daar niet anders over. Het verhaal van Jezus’ lijden en sterven maakt ons duidelijk dat we niet alleen maar kunnen liefhebben op het moment of de plaats waarop dat ons uitkomt. Dat is géén liefde.
“Heb lief zoals ik jullie heb liefgehad”, houdt Jezus zijn leerlingen voor. Enkele verzen eerder vertelt de auteur van het Johannesevangelie ons dat Jezus tijdens het laatste avondmaal de voeten van zijn leerlingen waste. “Begrijpen jullie wat ik gedaan heb?”, vraagt Jezus daar aan zijn leerlingen. “Jullie moeten ook elkaars voeten wassen…”

Jezus die toch Heer en Meester is, waste de voeten van de apostelen die in zekere zin toch zijn ‘minderen’ waren. Dat is anders dan het erin de wereld gewoonlijk aan toe gaat. Daarin kussen dienaren de voeten van hun meesters. De daad die Jezus stelt, heeft dus iets ontregelends. Maar precies die ‘ontregeling’ – die omkering van de gewone gang van zaken – maakt het wezen van de liefde uit, zegt de Franse dominicaan Adrien Candiard in zijn recente boek ‘Mijmeren onder de vijgenboom’. Mijn medebroeder schrijft: “De liefde die we aan onze naaste verplicht zijn, is altijd ontregelend. Als die ons nooit ontregelt, komt dat omdat we nog niet met liefhebben begonnen zijn.”
Adrien Candiard geeft in zijn boek een actueel voorbeeld: de toestroom van vluchtelingen. Ja, zegt hij, de massale komst van vluchtelingen heeft ons ontregeld, maar volgens hem kan dat juist voor ons, christenen in West-Europa, geen excuus zijn om deze mensen niet op te vangen en niet in ons midden op te nemen. Ik citeer uit zijn boek: “Het alternatief van ontregeling is niet de rust; het alternatief van ontregeling is de hel, wat niets anders is dan een technische term voor een isolement, gekozen en aanvaard voor de eeuwigheid.”(Einde citaat)

Liefde gaat gepaard met ontregeling. Jezus nodigt ons daartoe uit, hij nodigt ons uit om, net als hijzelf deed, ons bestaan voor elkaar te breken en het met elkaar te delen. Door dat gebaar schiep Jezus voor ons een nieuwe toekomst. Door dat gebaar scheppen wij voor onszelf en voor elkaar, voor onze wereld, een nieuwe toekomst. Liefde is de naam van die toekomst. Waar liefde heerst en vriendschap, daar breekt die toekomst aan, daar is Jezus, daar is God: ‘Ubi caritas et amor, Deus ibi est.’

Moge het zo onder ons zijn!