18 juni 2017, ‘De arme ligt voor onze poort’, (Jesaja 5,8-16 [NBV], Lukas 16,19-31 [Oosterhuis-van Heusden]).

Jan van Hooydonk, Oecumenisch Citypastoraat, Nijmegen,

18 juni 2017, ‘De arme ligt voor onze poort’, (Jesaja 5,8-16 [NBV], Lukas 16,19-31 [Oosterhuis-van Heusden]).

 

 

Zusters en broeders,

Het is misschien een wat vreemde vraag aan het begin van een overweging, maar: heeft u al eens nagedacht over het laatste gezang waarmee u wilt worden toegezongen? Wellicht is het dit gezang dat Jetty nu voor ons zal spelen. Laten we even luisteren: [In Paradisum].

Dank je wel, Jetty. Het gezang dat we hoorden, is het lied ‘In Paradisum’. Dit gregoriaanse gezang wordt vanouds gezongen op het einde van de uitvaartmis, tijdens het uitdragen van de overledene. Het gezang ‘In Paradisum’ stamt dus uit de klassieke rooms-katholieke liturgie, maar het is inmiddels ook opgenomen in het liedboek van de protestantse kerken. De Nederlandse vertaling van dit Latijnse gezang luidt:Ten paradijze geleiden u de engelen, mogen de martelaren u bij uw komst begroeten en u leiden tot in de hemelse stad Jeruzalem. Moge het koor der engelen u ontvangen en moge u met Lazarus, de arme van weleer, voor altijd rusten in vrede.’

Lazarus: dat, zusters en broeders, is dus de laatste naam die onze dode oren zullen horen. Lazarus: dat is ook de eerste naam die wij zullen horen wanneer wij eenmaal het beloofde het land van vrede zijn binnengegaan. ‘Lazarus, quondam pauperis’, ‘Lazarus, de arme van weleer.’

 

Lazarus: die naam hoorden wij ook in de gelijkenis uit het Evangelie van Lukas die hier zojuist klonk. Deze gelijkenis is de enige in het Nieuwe Testament waarin Jezus een mens bij name noemt. Jezus geeft de arme in deze parabel de naam ‘Lazarus’. Die naam betekent in het Hebreeuws ‘God helpt’. Het gezang ‘In Paradisum’ verwijst naar deze arme.

De arme krijgt in de parabel van vandaag een naam, maar de rijke krijgt geen naam. Die naam kunnen we zelf wel verzinnen – namen voor hem te over, vul zelf maar in…

 

De arme ‘Godhelpt’, de lieveling van God dus, ligt in het begin van de parabel op de drempel van de poort, maar de rijke zit veilig binnen en nodigt hem niet uit om zijn huis binnen te gaan. De rijke is gekleed in purper – hij loopt in koninklijke dracht; ‘Godhelpt’ daarentegen ligt er haveloos bij, zijn lichaam is overdekt met zweren. De lieveling van God is daarmee een ‘onreine’. Hij is een outcast die buiten de beschaafde samenleving en buiten de gevestigde religieuze orde valt. Dat gegeven wordt nog eens versterkt worden door de mededeling dat de honden zijn zweren likken: honden golden voor de joden immers als onreine beesten.

De rijke viert feest en eet zich vol. Lazarus echter lijdt honger; hij zou zijn buik wel willen vullen met de kruimels die van de tafel van de rijke afvallen – zoals ongetwijfeld de honden doen die door de open poort naar binnen en buiten lopen. Zij wél, maar de arme niet. Zelfs een hondenleven wordt hem door de rijke niet gegund.


De parabel vertelt ons niks nieuws: de armen liggen nog altijd voor onze poorten. Menig politicus ziet het als gunstig dat de Europese Unie een ‘deal’ met Turkije heeft kunnen sluiten, waardoor ‘al die vluchtelingen’ bij ons niet binnen kunnen komen. Onze samenleving kan hun komst immers niet aan, heet het. Gelukkig is het soms toch anders. Een maand geleden kwam ik in de trein terecht naast een jongeman van 23, een collega-journalist uit Afghanistan, zo bleek, inmiddels beginnend verslaggever bij de lokale nieuwsradio in Zutphen. Hij toonde me niet alleen het enorme litteken dat verklaarde waarom hij zijn land ontvlucht was. Hij liet me vol blijdschap ook zijn verblijfsvergunning zien. Hij had die juist die morgen van de Nederlandse overheid ontvangen. Hij was blij en ik met hem. Voor even voelde ik me trots te mogen wonen in een land dat zijn poorten openzet voor wie in nood zijn. Voor even zag ik het Evangelie wáár worden: ‘God helpt’.

  

Maar we hoeven bij het beeld van de arme voor onze poort niet alleen aan vluchtelingen te denken. Denk bijvoorbeeld ook eens aan mensen die we aantreffen bij de ingang van de supermarkt of die je aanspreken op het stationsplein. En ieder van ons, ikzelf incluis, komt wel eens mensen tegen die ons spontaan afkeer inboezemen, die ons niet sympathiek zijn, die voor ons zijn als melaatsen die we liever uit de weg gaan. Wat doen we dan? Loop ik straal aan ze voorbij of ga ik dan toch het contact aan? Het antwoord houd ik voor me.

Jezus houdt zijn tegenstanders en zijn volgelingen in de parabel een spiegel voor. Eenmaal dood zijn de rollen tussen Lazarus en de rijke geheel omgekeerd. De rijke wordt begraven, maar de arme wordt door engelen in de schoot van Abraham gedragen. Hij staat daarmee op één lijn met bijbelse figuren als Mozes, Henoch en Elia. Ook van hen is op aarde geen graf bekend. Ook zij zijn na hun dood door engelen ten paradijze gedragen.

 

Lazarus komt volgens de parabel niet zelf tot spreken, maar hij blijkt een machtige voorspreker en pleitbezorger te hebben in Abraham, de vader van alle gelovigen. De rijke meent ook na zijn dood nog de lakens te kunnen uitdelen. Eenmaal in de onderwereld aangekomen lijdt hij onder folteringen. Hij vraagt Abraham om Lazarus als loopjongen naar hem toe te sturen om hem verkoeling te brengen. Maar Abraham wijst het verzoek van de rijke af. Die heeft op aarde al een prachtig leven gehad, nu is het de beurt aan Lazarus. En trouwens, zo zegt Abraham, tot de rijke, “er gaapt een afgrond tussen ons en jullie: zou iemand van hier naar jullie willen oversteken, hij zou het niet kunnen, en zo kan ook niemand overkomen van daar naar ons.”

De rijke heeft tijdens zijn leven afstand genomen van de arme ‘Godhelpt’. Het minder-dan-een-hondenleven waaraan sommige medemensen ten prooi zijn, liet de rijke koud. De kloof tussen de rijke en Lazarus blijkt niet meer overbrugbaar te zijn.

We kunnen als samenleving of in ons persoonlijke leven de keuze ten gunste van de armen uitstellen en uitstellen, nog eens een deal sluiten in de hoop hun komst af te weren, maar eens zal het daarvoor te laat zijn. Dat is de harde maar realistische boodschap van Abraham aan de rijke.


Zeven is het getal der volheid. De rijke heeft vijf broers, zegt hij. Zelf is hij de zesde broer. De zevende broer, ja dat zou wel eens die arme Lazarus zelf kunnen zijn. Zes broers die de arme broer – niet minder dan zij een kind van Abraham – aan zijn lot hebben overgelaten. “Alstublieft, vader Abraham”, zo smeekt de rijke, “alstublieft, wilt u onze arme broer naar onze rijke broers sturen om hen te waarschuwen voor het gruwelijke lot dat hen wacht?”
Maar dat zou de omgekeerde wereld zijn: de armen zouden de rijken moeten redden?? Geen sprake van, zegt Abraham. “Zij hebben Mozes en de Profeten, laten zij naar hen horen.”
In deze woorden horen wij een verwijzing van de evangelist Lukas naar het slot van zijn evangelie. Op het eind van het Lukasevangelie, in het verhaal van de Emmausgangers, zal de verrezen Heer immers uitleggen dat alles wat met hem is gebeurd – zijn lijden, zijn dood, zijn opstanding – is geschied overeenkomstig de Schriften, overeenkomstig, zo staat er dan, ‘Mozes en alle profeten’. Aan het slot van de parabel klinkt hiervan een echo, wanneer Abraham tot de rijke zegt: “Als zij – de rijken – naar Mozes en de Profeten niet horen, zullen zij zich ook niet laten vermurwen door iemand die opstaat uit de doden.” Nee, ‘Mozes en de Profeten’ en de opstanding van Jezus kun je niet uitspelen tegen elkaar, zegt Lukas. Die gaan samen.

Het woord dat wij horen – dat God de arme helpt en liefheeft – dat woord zou voor ons genoeg moeten zijn. Horen we dat woord ook werkelijk?

 

“Een arme, Godhelpt genaamd, lag op de drempel van de poort.” De Talmoed, een oud joods geschrift, vertelt dat de Messias zich ophoudt voor de poorten van de stad Rome te midden van de melaatsen. De Messias ligt met de armen voor onze poort dus. Iemand vraagt dan: wanneer komt de Messias? Het antwoord op die vraag is een regel uit Psalm 95: ‘Vandaag, als gij hoort naar zijn stem.’ Vandaag, als wij horen naar de stem van de Messias, komt hij in ons midden. Vandaag als wij zijn wil doen, komt de Messias bij ons binnen. Vandaag, wanneer wij ons hart, ons huis, ons land, onze kerken en kathedralen openstellen voor wie buitengesloten waren, komt de Messias bij ons binnen.

Vandaag, zusters en broeders, komt de Messias bij ons binnen, wanneer wij horen naar de Schrift en vervolgens het Brood met elkaar breken en delen. Moge dit gebaar van breken en delen ons dan met Jezus verbinden en met allen wier naam luidt ‘Godhelpt’. Moge dit gebaar ons zo ook met elkaar verbinden.

 

Amen.