17juni 2018, 3ezondag na Trinitatis, Ezechiël 17,22-24 [NBV], Marcus 4,26-34 (vd Zeyde), ‘Het Koninkrijk Gods: belofte én werkelijkheid’

Jan van Hooydonk, Oecumenisch Citypastoraat, Nijmegen,

17juni 2018, 3ezondag na Trinitatis, Ezechiël 17,22-24 [NBV], Marcus 4,26-34 (vd Zeyde), ‘Het Koninkrijk Gods: belofte én werkelijkheid’

Zusters en broeders,
Week in week uit, zondag na zondag, lezen we hier uit de Schrift en overwegen we Gods Woord dat daaruit opklinkt. Dit Woord is onszelf menigmaal vreemd; niet zelden staat het haaks op hoe wij leven en denken. Menigmaal ook is het Woord dat wij hier horen, vreemd en tegengesteld aan de logica en de ordening van onze wereld. Dit Woord, zo belijdt de christelijke traditie, staat immers voor een tegendraads geheim. ‘Koninkrijk Gods’ is de naam van dat geheim, ‘deze wereld omgekeerd’ is de naam van dat geheim, ‘het goede leven voor allen’ is de naam van dat geheim. De gelijkenissen die we vandaag in het evangelie horen, spreken over dit geheim. Zij gaan over het rijk van God.

“Hoe geven wij het weer, het koninkrijk van God?” Op deze vraag geeft Jezus ons vandaag antwoord met twee korte gelijkenissen.
De zaaier zaait het zaad uit in de aarde, aldus de eerste gelijkenis die we hoorden. Het zaad kiemt en komt op en groeit uit tot een korenveld, maar hoe? Daarvan hebben we geen weet, zegt Jezus. “Het is zomaar dat de aarde het geeft, eerst een halm, dan een aar, en dan, in de aarde, de volle korrel.” De groei van het Koninkrijk van God is aan onze ogen onttrokken, het komt tot ons als een geheim, wil het evangelie, wil Jezus ons zeggen.
Ida Gerhardt schreef naar aanleiding van deze gelijkenis het volgende gedicht dat zij de veelzeggende titel ‘Over de eerbied’ gaf.

OVER DE EERBIED II
Gij moet het eenzaam laten
het zaad dat ligt te slapen
en dat al kiem gaat maken.

Dit eerstelingsbewegen

van leven binnen leven

vermijd het te genaken.


Laat het stil in zijn waarde,

zaad in de donkere aarde;

zaad in de donkere aarde.

 

En het zal groen ontwaken.

 

Het groen zal werkelijk ontwaken, het koninkrijk Gods zal werkelijk baan breken op aarde, zegt het evangelie, zegt Jezus. Als christenen vertrouwen wij ons aan toe aan deze belofte. Maar niet alleen aan een belofte, óók aan een werkelijkheid: het koninkrijk is immers nu al onder ons aanwezig, zo belijdt de christelijke traditie. Klein, onaanzienlijk, in nederige gestalte, zoals zaad dat is uitgezaaid, is het koninkrijk van God onder ons aanwezig. ‘Laat het stil in zijn waarde’, zegt de dichter. Ze wil daarmee zeggen: je moet scherp en eerbiedig kijken om het aanbreken van het Koninkrijk te zien. Je moet met een andere blikrichting kijken dan met wat in onze wereld de dominante kijkrichting is. Onze wereld gelooft in succes, ziet op tegen mensen die presteren – ‘hardwerkende Nederlanders’ worden die mensen door sommige politici genoemd. Onze wereld houdt van glamour, verheerlijkt wat groot, machtig en potent is. Maar daarin toont zich niet het koninkrijk van God. Juist in wat klein en nederig is, onaanzienlijk, ogenschijnlijk betekenisloos, daarin wordt het koninkrijk van God nu onder ons al werkelijkheid, zegt de Schrift. De profeet Ezechiël zegt het zo – we hoorden het in de eerste lezing: ‘De hoge boom wordt geveld en zal verdorren, maar de kleine boom zal groeien. De ogenschijnlijk gezonde boom zal verdorren, maar de verdorde boom zal groen ontwaken.’

 

Het koninkrijk van God is niet alleen een belofte, het is nu al werkelijk onder ons aanwezig. In zijn recent in het Nederlands verschenen boek ‘Hopeloos hoopvol’ werkt de Amerikaanse theoloog John D. Caputo deze gedachte op een radicale manier uit. “Gods naam is een roep om antwoord”, schrijft Caputo, “het is de naam van een roep die realiteit wil worden, van een waarheid die werkelijkheid wordt in onze werken. Het koninkrijk van God is geen beloning voor deze werken, het isde werken zelf. De naam van God is niet de naam van de rechter die beloont of straft op basis van onze werken, Gods naam is de werken zelf. De naam van God manifesteert zich indeze werken en alsdeze werken.” (Einde citaat). Anders gezegd: de naam van God, zijn koninkrijk, wordt openbaar waar wij daden van goedheid en liefde stellen, waar wij elkaar recht doen, waar we recht doen aan wie in onze samenleving of kerken geen of minder rechten hebben.In al die daden is het Koninkrijk van God reeds nu onder ons aanwezig. Afgelopen nacht nog werd de naam van God, zijn Koninkrijk, openbaar: in de solidariteit met vluchtelingen…

 

De evangelist laat Jezus spreken in gelijkenissen. Deze gelijkenissen geven een antwoord op de kwellende vraag van de eerste christengemeente, de gemeente waarbinnen het evangelie ontstond. Hoe moesten de eerste christenen verder zonder Jezus? Hoe moesten ze overleven in een wereld die hen vijandig gezind was, hen totterdood vervolgde. Houd moed! zegt de evangelist tot hen – en zeiden de eerste christenen tot elkaar. Wat wij zien, gaat voorbij. De machten van deze wereld gaan voorbij, de toekomst is aan de kleinen, de onaanzienlijken, de vernederden. De apostel Paulus zegt het in zijn brief aan de christengemeente van Korinte zó: “Wat het oog niet heeft gezien en het oor niet heeft gehoord, wat in geen mensenhart is opgekomen, dat heeft God bestemd voor wie hem liefheeft” (1 Kor. 2,9).

Het koninkrijk van God is dus een belofte, maar tegelijkertijd is het ook nu al werkelijkheid, zei ik. Bovenal is het rijk van God werkelijkheid geworden in Jezus zelf, in zijn leven, zijn dood en opstanding. En zo onthullen de gelijkenissen die de evangelist Jezus vandaag in de mond ligt, voor de toehoorders van toen en van nu nóg een geheim: de gelijkenissen die Jezus ons vertelt over het Koninkrijk van God, zijn ten diepste ook gelijkenissen over hemzelf. Deze gelijkenissen handelen over Jezus zelf, over zijn leven, sterven en verrijzen. Jezus zelf moest immers als een graankorrel in de aarde gezaaid worden. Hijzelf moest de dood ondergaan om tot nieuw leven te komen. Hij, Jezus zelf, was als een mosterdzaadje, als het kleinste van alle zaden, dat in de akker uitgezaaid moest worden, om tot volle wasdom te komen: een struik met takken zo groot dat mensen en ook vogels daaronder kunnen schuilen.

“Het is zomaar dat de aardehet geeft”, zegt het evangelie over het groeien van het graan. En ook: het Koninkrijk van God is “als een mosterdzaadje dat in de aardegezaaid wordt.” De gelijkenissen die wij vandaag horen, worden vaak, en niet ten onrechte, ‘gelijkenissen over het zaad’ genoemd. Maar met even zo veel recht zou je ze ‘gelijkenissen over de aarde’ kunnen noemen. In deze gelijkenissen is rol van de aarde immers van cruciaal belang: de aarde is in deze gelijkenissen de letterlijke bakermat van het Koninkrijk van God. Het evangelie is daarom ook een lofzang op de groeikracht van de aarde die in staat is om het zaad te laten ontkiemen en tot wasdom te laten komen.

De spannende vraag is dan voor ons wel: wie of wat wordt met deze ‘aarde’ bedoeld? Het antwoord dat het evangelie ons vandaag op deze vraag geeft, zusters en broeders, moet wel zijn dat wijzelfdie aarde zijn. Wijzelf, ieder van ons in zijn of haar eigen leven. Wijzelf ook als collectief, als gemeente van Christus. Gods Woord is als zaad uitgezaaid in de aarde die wij zijn. Het is in en door ons leven dat het Koninkrijk van God reeds nu onder ons werkelijkheid wordt. Het is in en door de gemeente van Christus dat Gods Koninkrijk in de wereld reeds nu tot wasdom komt. Het evangelie zegt ons dus niet alleen dat wij het leven met elkaar moetendelen, het zegt ons ook dat wij, dankzij Gods genade, bij machte zijn, in staat zijnom het leven met elkaar te delen. Weet u het nog: ‘Yes, we can!’en ’Wir schaffen dass!’.

Wanneer wij vandaag op dit uur en op deze plaats samenzijn, is het ook dít wat wij belijden: “Gods naam is een roep om antwoord.” Breken en delen is het antwoord van Jezus. Breken en delen moge dan nu ook ons antwoord zijn. Zoals eens Gods naam in Jezus openbaar werd, zo moge Gods naam nu ook in ons openbaar worden. Ons leven een gelijkenis van het Koninkrijk dat komt: zusters en broeders, moge het zo voor ons zijn.